Rapport 15 juli 2014: klacht over wijze van aanvragen WWB-uitkering

Verzoeker heeft de Ombudscommissie gevraagd zijn klacht over de wijze van aanvragen van een uitkering te onderzoeken. Daarbij kwamen ook andere klachten van verzoeker over de gang van zaken tijdens hoorzittingen en de handelwijze van bepaalde medewerkers van de gemeente aan de orde. 

Verzoekers (hierna samen te noemen: verzoeker) verzochten de Ombudscommissie een onderzoek in te stellen naar de volgende klachten:

Klacht ontvangen d.d. 30 september 2013 inhoudende:

 

  • het niet meewerken aan een WWB-aanvraag zonder gebruik te maken van 
    DigiD;
  • de gang van zaken tijdens hoorzitting d.d.19 november 2013 waarbij geen melding is gemaakt van het gegeven dat hierbij een geluidsopname werd gemaakt;
  • de handelwijze van een medewerkster bij het Klant Contact Centrum (KCC).

Klachten/Berichten d.d. 13, 16, 17 en 18 december 2013 inhoudende:

  • gang van zaken rond hoorzitting en onvoldoende vertrouwen in 
    klachtenafhandeling door gemeente (13 december 2013);
  • afschrift instellingsbesluit en namen leden klacht- en bezwarencommissie (16 december 2013);
  • machtmisbruik door twee medewerkers van de gemeente (d.d. 17 december 2013) en
  • verzoek tot schorsing van twee medewerkers i.v.m. machtsmisbruik (d.d. 18 december 2013).

Klacht d.d. 24 december 2013 inhoudende:

  • dat, doordat de portefeuillehouder niet beschikt over de bestuurscapaciteiten, door haar handelen de schijn is ontstaan dat de bezwaarprocedure is besmet (dus klacht in handen te stellen van onafhankelijke klachtencommissie) en
  • de portefeuillehouder en de ambtenaren van de zaak te halen.

Klacht d.d. 23 januari 2014 inhoudende:

  • misleidende werkwijze van het Meldpunt Integriteit aangaande de status van klager en
  • het door Meldpunt Integriteit ten onrechte stellen dat er geen budget zou zijn.

Klacht d.d. 30 januari 2014 inhoudende:

  • het niet eens te zijn met het feit dat een medewerker nog op zijn post gelaten wordt en zo invloed kan hebben op het dossier en de nog te voeren klachtenprocedures;
  • bezwaar tegen het feit dat door verzoeker meer dan 21 keer zowel mondeling als schriftelijk om een gesprek met B&W is gevraagd, hetgeen tot op heden niet is gehonoreerd. Dit is een bestuurlijk falen en een minachting van het recht van de burgers.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

De verzoekschriften berusten op artikel 9:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In artikel 9:20 Awb is bepaald dat de verzoeker, alvorens het verzoek aan de Ombudscommissie te doen, over de gedraging een klacht in moet dienen bij het betrokken bestuursorgaan, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden verwacht.

Bij schrijven d.d. 30 januari 2014 is door het bestuursorgaan aangegeven dat klager geen vertrouwen heeft in de (interne) behandeling van de klachten door het bestuursorgaan en is om die reden aan de Ombudscommissie verzocht om de behandeling over te nemen.

Gezien het vorenstaande is verzoeker ontvankelijk.

De procedure

De Ombudscommissie, hierna te noemen: “de commissie”, heeft in haar onderzoek de navolgende stukken betrokken:

  • Klacht d.d. 30 september 2013;
  • Klachten/Berichten d.d. 13, 16, 17 en 18 december 2013;
  • Klacht d.d. 24 december 2013;
  • Klacht d.d. 23 januari 2014;
  • Klacht d.d. 30 januari 2014;
  • Uitnodiging commissie d.d. 6 februari 2014 voor hoorzitting d.d. 19 februari 2014 plus bijlagen;
  • Standpunt van de gemeente Eindhoven d.d. 10 februari 2014 
    plus bijlagen 1 tot met 6;
  • Verzoek verzoeker d.d. 18 februari 2014 voor uitstel hoorzitting d.d. 19 februari 2014;
  • Bericht commissie d.d. 18 februari 2014 inzake annulering hoorzitting d.d. 19 februari 2014;
  • Verzoek commissie d.d. 25 februari 2014 tot nadere formulering klachten;
  • Reactie verzoeker d.d. 27 februari 2014;
  • Verzoek commissie d.d. 1 maart 2014 inzake nadere formulering klachten;
  • Reactie verzoeker d.d. 6 maart 2014;
  • Uitnodiging commissie d.d. 4 april 2014 voor hoorzitting d.d. 16 april 2014;
  • Reactie verzoeker d.d. 14 april 2014 met verklaring afwezigheid bij hoorzitting d.d. 16 april 2014.   

De verzoekschriften zijn behandeld tijdens een hoorzitting van de commissie op 16 april 2014.

Verzoeker is hierbij niet verschenen, conform zijn bericht d.d. 14 april 2014.

Aan verzoeker en de gemeente zijn bij brief van 12 mei 2014 de bevindingen van de commissie bekendgemaakt. Daarbij werden zij in de gelegenheid gesteld zich binnen een door de commissie gestelde termijn omtrent de bevindingen te uiten. Het betreft hier geen mogelijkheid tot het aandragen van nieuwe feiten of stukken.


19. De gemeente heeft bij bericht van 19 mei 2014 en 27 mei 2014 gereageerd op de bevindingen.

De commissie brengt na beraadslaging als volgt rapport uit.

Van de voorstellen tot wijziging van de bevindingen, die de gemeente heeft gedaan bij het bericht van 19 mei 2014 neemt de commissie de opmerkingen uit de 1e, de 3e en 5e alinea van dit bericht over.

De commissie neemt de overige reacties van de gemeente op de bevindingen niet over.

De gemeente heeft bij haar reactie op de bevindingen van 27 mei 2014 nieuwe stukken toegezonden aan de commissie. De commissie geeft alleen ruimte om te reageren op het verslag van bevindingen, het gaat er dan om of dit verslag compleet is. Dit betekent dat er dan ook geen nieuwe stukken meer worden toegelaten, zodat deze buiten beschouwing blijven.

Opzet van behandeling van de verzoekschriften door de commissie:

De commissie beoordeelt in het hiernavolgende de ontvangen verzoekschriften  in volgorde van datum ontvangst.

De vraag die de commissie moet beantwoorden is of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn taken op een behoorlijke manier is omgegaan met verzoeker en zijn belangen. De essentie van behoorlijk overheidsoptreden kan worden samengevat in vier kernwaarden:

-         Open en duidelijk

-         Respectvol

-         Betrokken en oplossingsgericht

-         Eerlijk en betrouwbaar

De beoordelingen zijn tot stand gekomen op grond van de aan de commissie overgelegde bescheiden en uit hetgeen tijdens de hoorzitting aan de orde is geweest.

Klacht ontvangen d.d. 30 september 2013:

Verzoeker heeft aangegeven dat "door het uitsluitend met DigiD kunnen aanvragen van een uitkering het de bewindvoerder onmogelijk (zou) wordt (worden) gemaakt te doen wat van rechtswege van haar verlangd wordt".

Algemeen:

Verzoeker is door de Rechtbank Oost-Brabant benoemd tot bewindvoerder. In die hoedanigheid wilde verzoeker voor de persoon die onder bewind is gesteld een uitkering aanvragen.

Op 3 september 2013 heeft verzoeker contact opgenomen met de gemeente Eindhoven hoe een  uitkering op grond van de Wet werk en bijstand ten behoeve van de onder bewind gestelde kan worden aangevraagd.

In eerste instantie is aangegeven dat de aanvraag via DigiD moest worden ingediend en toen daarna bleek dat de bewindvoerder dit niet namens de onder bewind gestelde kon doen, is op 26 september 2013 alsnog een papieren aanvraagformulier toegezonden.

Naar aanleiding van hetgeen is voorgevallen rondom het aanvragen van de bijstandsaanvraag heeft verzoeker bij schrijven d.d. 27 september 2013, ontvangen d.d. 30 september 2013, een klacht en bezwaarschrift ingediend.

Oordeel commissie:

De commissie heeft vastgesteld dat door het college uiteindelijk op 26 september 2013 een papieren aanvraagformulier WWB is toegezonden en dat op basis van de gedane aanvraag bij besluit d.d. 13 december 2013 met ingang van 15 juli 2013 een bijstandsuitkering is toegekend.

Het ingediende bezwaarschrift d.d. 27  september 2013 is niet ontvankelijk verklaard omdat er naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders (hierna:college) geen sprake was van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb,  omdat het college niet bevoegd zou zijn verplichtingen op te leggen of ontheffingen te verlenen over de wijze waarop de aanmelding voor een WWB-uitkering bij het UWV dient plaats te vinden en omdat het belang van het bezwaar ontbrak nu de aanvraag WWB in behandeling was. Verzoeker werd gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken tegen de beslissing beroep in te stellen bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector bestuursrecht.

De commissie is van oordeel dat zij met betrekking tot de procedure tot  het aanvragen van een WWB-uitkering ten aanzien van de juridische component geen oordeel hoort te geven omdat bezwaar en beroep mogelijk is. Echter, er is naast de juridische component ook sprake van een gedragscomponent, namelijk de vraag hoe de gemeente is omgegaan met het verzoek om op andere wijze dan door middel van een DigiD een WWB-uitkering aan te mogen vragen.

De overheid dient immers in voorkomende gevallen, als dat nodig is om onbedoelde of ongewenste consequenties te voorkomen, af te wijken van algemeen beleid of voorschriften. De overheid dient wet- en regelgeving als uitgangspunt te nemen, maar dient steeds oog te houden voor de specifieke omstandigheden, waar de burger in terecht kan komen. In haar feitelijk handelen moet de overheid naar maatregelen en oplossingen zoeken die passen bij de specifieke omstandigheden van de individuele burger.

De gemeente heeft dat aanvankelijk onvoldoende gedaan. Uit de stukken blijkt immers dat verzoeker in eerste instantie naar het UWV is verwezen en verzoeker bij de gemeente geen gehoor kreeg voor het probleem waar hij tegenaan liep.

Tijdens de hoorzitting is de commissie gebleken dat  de gemeente een gedragslijn hanteert om, in afwijking van de geldende regelgeving, in specifieke situaties op verzoek formulieren per post toe te sturen hetgeen in de situatie van verzoeker ook op 26 september jl. is gebeurd nadat op 19 september jl. was gebleken dat het indienen van de WWB-aanvraag per DigiD niet mogelijk was. De gemeente had op dit punt adequater moeten reageren, waardoor een verdere escalatie wellicht voorkomen had kunnen worden.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is.

Klacht ontvangen d.d. 30 september 2013:

Klager kan zich niet vinden in de handelwijze van een medewerkster bij het Klant Contact Centrum (KCC).

Algemeen:

De commissie is gebleken dat de bewindvoerder heeft geprobeerd telefonisch contact te krijgen met de wethouder, hetgeen niet is gelukt omdat de medewerkster bij het Klant Contact Centrum (hierna:KCC), nadat zij geweigerd heeft haar functie en naam bekend te maken, weigerde om verzoeker door te verbinden naar (de secretaresse van) de wethouder.

Tegen deze werkwijze van de medewerkerster van het KCC heeft de bewindvoerder bij schrijven d.d. 27 september 2013 ook een klacht ingediend.

Oordeel commissie:

De commissie kan zich goed voorstellen dat een portefeuillehouder zich in het algemeen niet bemoeit met de dagelijkse uitvoering van  een wettelijke regeling (zoals de WWB). Indien een burger expliciet contact wenst met de portefeuillehouder, doch aan dit verzoek conform een vastgestelde procedure niet tegemoet wordt gekomen, dient de gemeente, in het kader van een fatsoenlijke bejegening, er echter wel  zorg voor te dragen dat de vraag van de burger op een andere wijze wordt beantwoord. De commissie heeft geconstateerd dat ten aanzien van de WWB-aanvraag op 26 september 2013 door de e-coach van het Werkplein een terugbelnotitie is gemaakt en dat uiteindelijk een papieren versie van het aanvraagformulier naar de bewindvoerder is gestuurd. De commissie stelt daarmee vast dat er door de gemeente in ieder geval een reactie is gegeven.

Ten aanzien van de handelwijze door de medewerkster bij het KCC merkt de commissie op dat uit de aan de commissie overgelegde stukken en uit hetgeen tijdens de hoorzitting aan de orde is geweest, de commissie niet heeft kunnen vaststellen op welke wijze klager door (de medewerkster van) het KCC te woord is gestaan. De commissie is van oordeel dat het reëel en algemeen gangbaar is dat een burger die contact heeft met de overheid desgevraagd het recht heeft om te weten wie hij "aan de lijn heeft" en welk onderdeel van de overheid deze vertegenwoordigt. Omdat niet meer te achterhalen is of de medewerker wel of niet haar naam heeft genoemd rest de commissie derhalve niets anders over deze klacht geen oordeel te geven. 

Klacht ontvangen d.d. 30 september 2013:

Verzoeker klaagt over de gang van zaken tijdens hoorzitting d.d.19 november 2013 waarbij geen melding is gemaakt van het gegeven dat hierbij een geluidsopname werd gemaakt;

Algemeen

Bij schrijven d.d. 5 november 2013 is verzoeker, namens het college van burgemeester en wethouders, uitgenodigd om op 19 november 2013 aanwezig te zijn bij de (ambtelijke) hoorzitting om een toelichting te geven op het schrijven d.d. 27 september 2013. Voor de hoorzitting is verzoeker verschenen. Tijdens het gesprek constateerde verzoeker dat van de zitting een geluidsopname werd gemaakt, waarover verzoeker voorafgaande aan het gesprek niet werd geïnformeerd. Na deze constatering is de hoorzitting beëindigd. Bij schrijven d.d. 19 december 2013 is namens het college aan verzoeker bericht het verloop van de zitting te betreuren en zijn excuses aangeboden. Uiteindelijk heeft verzoeker toch aangegeven onvoldoende vertrouwen te hebben in de klachtbehandeling door de gemeente en een klacht ingediend tegen de gang van zaken rondom de hoorzitting op 19 november 2013.

Oordeel commissie.

De commissie merkt op dat het in het kader van transparantie belangrijk is dat voordat de hoorzitting plaatsvindt de status van het gesprek duidelijk moet zijn. Tevens dient voordat de hoorzitting plaatsvindt aan klager/bezwaarde duidelijk kenbaar te worden gemaakt dat er, indien dit het geval is, van het gesprek een geluidsopname wordt gemaakt. Uit de stukken die zijn overgelegd heeft de commissie kunnen vaststellen dat het college naar verzoeker toe uitgebreid is ingegaan op de vraag hoe e.e.a. heeft kunnen gebeuren en zijn excuses heeft aangeboden. Daarmee is de klacht naar het oordeel van de commissie voldoende afgedaan. De commissie is dan ook van oordeel dat de klacht hieromtrent ongegrond is.

Klachten/Berichten d.d. 13, 16, 17 en 18 december 2013 inhoudende:

Algemeen:

Bij schrijven d.d. 13 december 2013 heeft verzoeker aangegeven onvoldoende vertrouwen te hebben in de klachtbehandeling door de gemeente en heeft hij een klacht ingediend tegen de gang van zaken rondom de hoorzitting op 19 november 2013.

Bij e-mail d.d. 18 december 2013 geeft verzoeker aan per omgaande een afschrift van het instellingsbesluit betreffende de klacht- en de bezwaarcommissies van de gemeente Eindhoven te willen ontvangen inclusief de samenstelling van de commissies alsmede de nevenfuncties van de leden met vermelding van de namen van hun werkgever.

Op 16 december 2013 heeft verzoeker een gesprek gehad met een klachtbehandelaar waarbij hij aangaf dat wellicht het bezwaarschrift in der minne zou kunnen worden geschikt indien het werkproces inzake het aanvragen van een WWB-uitkering door een bewindvoerder zou worden aangepast.

Bij e-mail d.d. 17 december 2014 stelt verzoeker dat door twee ambtenaren van de afdeling Bezwaar, beroep en klachten gebruik wordt gemaakt van het middel van machtsmisbruik om de beoogde doelen te bereiken. Volgens klager ademt het hele dossier "juridisch gesjoemel en misleiding" uit om tot het eigen gelijk te komen. Vervolgens wordt verzocht om deze ambtenaren per omgaande te schorsen dan wel van het dossier te halen.

Bij e-mail d.d. 18 december 2013 geeft verzoeker aan per omgaande een afschrift van het instellingsbesluit betreffende de klacht- en de bezwaarcommissies van de gemeente Eindhoven te willen ontvangen inclusief de samenstelling van de commissies alsmede de nevenfuncties van de leden met vermelding van de namens van hun werkgever.

Oordeel commissie:

De commissie heeft vastgesteld dat namens het college bij schrijven d.d. 19 december 2013 uitgebreid is ingegaan op de klachten/berichten d.d. 13, 16, 17 en 18 december 2013. Bij de informatievoorziening is aangegeven  dat aan verzoeker op 20 november 2013 reeds de namen van de leden van de commissie voor bezwaarschriften zijn doorgegeven en dat de benoeming van leden van de per 1 januari 2014 van de in stellen gemeentelijke Ombudscommissie door de gemeenteraad zal plaatsvinden. (N.B. Bij schrijven d.d. 30 januari 2014 is aan verzoeker bericht dat de Ombudscommissie Eindhoven is verzocht om de behandeling van de klachten over te nemen. Als bijlage is  het op 21 januari 2014 vastgestelde raadsvoorstel tot benoeming van de leden van deze Ombudscommissie meegezonden.)

De commissie is dan ook van oordeel dat verzoeker voldoende geïnformeerd is.

In het bedoelde schrijven d.d. 19 december 2013 is namens het college ook aangegeven dat de onderdelen die betrekking hebben op het door verzoeker genoemde machtsmisbruik van twee medewerkers zijn voorgelegd aan het Meldpunt Integriteit en dat de verdere berichtgeving hieromtrent via dit  Meldpunt loopt. De commissie is van oordeel dat door het college gehandeld is conform de daarvoor vastgestelde "Protocol onderzoek vermoedens integriteitschendingen gemeente Eindhoven" zoals door het college in 2008 is vastgesteld. Het meldpunt Integriteit heeft uiteindelijk de melding niet in behandeling genomen omdat de aangifte niet is overlegd en verzoeker niet wenste te worden gehoord. Dit betekent dat de commissie zich een oordeel kan vormen over deze gedraging. De commissie treft in het dossier geen enkele onderbouwing aan die de stellingen van klager over het gedrag van deze twee medewerkers kunnen onderbouwen. De klacht betreffende dit onderdeel is dan ook ongegrond.

Klacht d.d. 24 december 2013

Algemeen.

Bij e-mail d.d. 24 december 2013 dient verzoeker een klacht in tegen de portefeuillehouder omdat deze niet beschikt over de bestuurscapaciteiten en door haar handelen de schijn is ontstaan dat de bezwaarprocedure is besmet. Verzocht wordt de klacht in handen te stellen van de onafhankelijke klachtencommissie alsmede de portefeuillehouder en de reeds eerder bedoelde ambtenaren van de zaak te halen.

Oordeel commissie.

De commissie heeft geconstateerd dat verzoeker op 24 december 2013 heeft gesproken met de integriteitcoördinator bij de gemeente Eindhoven, naar aanleiding van een uitnodiging voor een gesprek met de bedoeling om de klacht nader te concretiseren. Tijdens het gesprek is aan verzoeker gevraagd of het juist was dat hij niet wilde dat de gemeente Eindhoven contact zou opnemen met de Officier van Justitie, hetgeen door verzoeker is bevestigd. Daarbij is uitgelegd dat medewerkers niet zonder meer zonder onderzoek kunnen worden veroordeeld of van een zaak kunnen worden gehaald op enkel een melding over machtsmisbruik.    

De commissie heeft tevens vastgesteld dat bij schrijven d.d. 16 januari 2014  het Meldpunt Integriteit aan verzoeker heeft bericht dat diens melding van machtsmisbruik gelijk staat aan niet integer handelen en dat derhalve het Meldpunt Integriteit, als organisatieonderdeel van de gemeente Eindhoven, hieromtrent onderzoek moet doen. Verzocht is om op grond van de inhoud van het schrijven en de bijgevoegde informatie, uiterlijk een week na dagtekening van het schrijven contact op te nemen met de integriteitcoördinator van het Bureau Integriteit voor het maken van een afspraak. De commissie is van oordeel dat door het college in deze juist is gehandeld.

Gezien het vorenstaande is de commissie van oordeel dat verzoeker op geen enkele wijze zijn klacht heeft onderbouwd en dat deze dan ook ongegrond is.

De commissie wenst nog wel op te merken dat in het aan haar overgelegde dossier niets is aangetroffen c.q. geen enkel aanknopingspunt is gevonden om te kunnen concluderen dat er sprake is geweest van machtsmisbruik door bedoelde medewerkers.

Klacht d.d. 23 januari 2014 inhoudende:

Algemeen.

Bij e-mail d.d. 23 januari 2014 stelt verzoeker dat de werkwijze van het Meldpunt Integriteit misleidend is aangaande de status van verzoeker en dat het Meldpunt Integriteit ten onrechte heeft gesteld dat er geen budget zou zijn.

Oordeel commissie.

De commissie heeft geconstateerd dat verzoeker van oordeel is dat hij niet als melder, zoals omschreven in het "Protocol onderzoek vermoedens integriteitschendingen gemeente Eindhoven" kan worden aangemerkt. De commissie kan zich niet vinden in het standpunt van verzoeker. Immers door verzoeker zelf is aangegeven dat hij twee processen-verbaal heeft laten opmaken: een betreffende het afgedwongen gebruik van DigiD en een van machtsmisbruik door eerder bedoelde ambtenaren. Bovendien is door verzoeker naar de gemeente toe kenbaar gemaakt dat hij tegen bedoelde ambtenaren bij justitie aangifte heeft gedaan wegens machtsmisbruik. Daarmee is duidelijk dat verzoeker melder is. De commissie is dan ook van mening dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.

Voor wat betreft het tweede onderdeel van de klacht merkt de commissie op dat het Meldpunt Integriteit terecht op het standpunt staat dat het beschikbare budget is bestemd voor het doen van onderzoek en niet voor kosten die gemoeid zijn voor de concretisering van een melding. De commissie is dan van mening dat ook dit onderdeel van de klacht ongegrond is.

Klacht d.d. 30 januari 2014.

Algemeen.

Bij e-mail d.d. 30 januari 2014 stelt verzoeker het niet eens te zijn met het feit dat een medewerker nog op zijn post gelaten wordt en zo invloed kan hebben op het dossier en de nog te voeren klachtenprocedures. Tevens wordt bezwaar gemaakt tegen het feit dat verzoeker meer dan 21 keer zowel mondeling als schriftelijk om een gesprek met Burgemeester en wethouders is gevraagd, hetgeen tot op heden niet is gehonoreerd. Dit is volgens verzoeker een bestuurlijk falen en een minachting van het recht van de burgers.

Oordeel commissie.

De commissie is van mening dat verzoeker met deze klacht op een andere wijze verwoordt hetgeen hij in zijn eerder klacht d.d. 24 december 2013 heeft gesteld. De commissie verwijst voor haar standpunt in deze naar hetgeen daaromtrent reeds door de commissie is verwoord.

Conclusie

Gezien het vorenstaande is de commissie van oordeel dat:

1.      De klacht met betrekking tot de wijze waarop verzoeker in eerste aanleg is verwezen naar de procedure om de aanvraag WWB met gebruikmaking van DigiD  in te dienen deels gegrond is.

De gemeente heeft te laat en pas in 2e instantie de aanvrager de mogelijkheid geboden de aanvraag schriftelijk in  te dienen.

2.      Alle andere ingediende klachten ongegrond zijn.

Overwegingen van de Ombudscommissie:


Ten aanzien van het gedrag van verzoeker tijdens de behandeling van zijn klacht in eerste en in tweede instantie overweegt de Ombudscommissie nog als volgt:
Van de overheid mag verwacht worden dat in goed overleg met een klager getracht wordt een klacht af te handelen. Van de overheid mag bovendien verlangd worden dat zij een klager fatsoenlijk bejegent. Omgekeerd mag de overheid evengoed een fatsoenlijke bejegening van haar door de klager verwachten. Aan dat laatste heeft het in casu ontbroken. De opstelling van verzoeker heeft de afhandeling van zijn klachten vertraagd en bemoeilijkt en het effect van zijn gedrag op de bij deze kwestie betrokken medewerkers van de gemeente mag niet worden onderschat.

Aldus vastgesteld door de Ombudscommissie Eindhoven, 15 juli 2014.