Rapport 18 mei 2015: klacht over informatie bij bepaling WOZ-waarde

Verzoeker heeft de Ombudscommissie gevraagd zijn klacht te onderzoeken over het afwijzen van zijn verzoek om inzage van de taxatiekaart in het kader van de waardebepaling van zijn woning op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Daarbij werden ook andere klachten van verzoeker behandeld over gedragingen  van de gemeente in het kader van het bezwaar dat verzoeker had ingediend.

Het verzoek

Verzoeker heeft de Ombudscommissie gevraagd zijn klachten te onderzoeken over:

1. het afwijzen van zijn verzoek om inzage van de taxatiekaart in het kader van de waardebepaling van zijn woning op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna te noemen de WOZ);

2. het niet reageren op het bezwaarschrift tegen deze afwijzing binnen de wettelijke termijn;

3. het niet reageren op zijn voorstel voor een alternatieve methode van berekening;

4. het aanbevelen bezwaar te maken, terwijl dat later kennelijk niet-ontvankelijk wordt verklaard;

Bevoegdheid, kenbaarheid en behandelingsplicht

De te onderzoeken klachten betreffen gedragingen van de gemeente Eindhoven (hierna te noemen: gemeente). De Ombudscommissie is ingesteld als externe klachtinstantie voor gedragingen van de gemeente Eindhoven. 

Een interne klachtbehandeling door de gemeente is aan het verzoek voorafgegaan. Daarmee is voldaan aan het zogenaamde kenbaarheidsvereiste van artikel 9:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Voor wat betreft het afwijzen van het verzoek om inzage van de taxatiekaart had beroep kunnen worden ingesteld.  De Ombudscommissie  is dan ook niet verplicht dit onderdeel van de klacht te behandelen. Artikel 9:23 sub f van de Awb zegt namelijk dat er geen verplichting is een onderzoek in te stellen als het verzoek betrekking heeft op een gedraging waartegen beroep had kunnen worden ingesteld.

De klacht van verzoeker geeft al jaren aanleiding tot veel correspondentie tussen verzoeker en de gemeente. De Nationale Ombudsman pleit ervoor dat burgers niet onnodig in juridische procedures terecht komen en dat een verzoek om informatie over de totstandkoming van de WOZ-waarde niet zou moeten leiden tot een bezwaarprocedure (rapport van 7 februari 2012 (nr 2012/016). Om die reden ziet de Ombudscommissie hier een taak voor zich weggelegd en maakt zij gebruik van haar onderzoeksbevoegdheid.

De procedure

Verzoeker laat de Ombudscommissie in mailberichten van 8 en 24 december 2014 weten, niet tevreden te zijn met het antwoord van de gemeente op zijn klacht. Verzoeker vraagt de Ombudscommissie  zijn klachten te onderzoeken.

De gemeente heeft haar standpunt in een verweerschrift aan de Ombudscommissie duidelijk gemaakt. Beide partijen hebben in een hoorzitting een toelichting gegeven aan de Ombudscommissie en vragen beantwoord. Verzoeker overhandigde tijdens de hoorzitting zijn op schrift gestelde toelichting. De Ombudscommissie heeft haar bevindingen opgesteld en partijen in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Bij mailbericht van 8 april 2015 heeft verzoeker hierop gereageerd met een aantal opmerkingen. Zijn reactie wordt aan dit rapport gehecht. De gemeente heeft per mail op 23 april 2015 laten weten geen aanvullende opmerkingen op de bevindingen te hebben.

De Ombudscommissie heeft in de onderstaande bevindingen na toezending aan partijen nog een correctie aangebracht, voor wat betreft de datum van de beslissing op het bezwaarschrift: dit moet zijn 9 oktober 2014 in plaats van 8 oktober 2014.  

Bevindingen van de Ombudscommissie


Uit de stukken blijkt dat verzoeker al een aantal jaren via vragen en bezwaarschriften

probeert te achterhalen hoe de WOZ- waarde van zijn woning wordt berekend. 
Om de vragen van verzoeker te beantwoorden nodigt de gemeente verzoeker uit voor een gesprek op 18 maart 2014. Verzoeker laat op 25 maart 2014 weten dat de uitkomst van dit gesprek hem niet voldoende helderheid verschaft en verzoekt om inzage in de taxatiekaart.

Op 2 juni 2014 reageert de gemeente hierop afwijzend omdat er beleidsregels zijn die dat niet toelaten en legt daarbij uit hoe de WOZ-waardes in het algemeen tot stand komen.

Verzoeker dient tegen deze afwijzing bezwaar in op 2 juli 2014. Op 9 oktober 2014 wordt op dit bezwaar beslist.

De klacht bij de gemeente

Verzoeker dient op 16 oktober 2014 bij de Ombudscommissie een klachtenformulier in. Omdat de klacht niet eerder werd ingediend bij de gemeente stuurt de Ombudscommissie dit formulier ter behandeling door naar de gemeente op grond van artikel 9:20 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Verzoeker klaagt over het feit dat hij vanaf de datum van indiening van het bezwaarschrift (2 juli 2014) tot het moment waarop op dit bezwaarschrift is beslist (9 oktober 2014) geen enkele reactie heeft gekregen van de gemeente, dit ondanks herinneringen door verzoeker op 21 juli en 17 augustus 2014.


De klachtenbehandelaar van de gemeente reageert op de klacht van verzoeker door in een telefoongesprek op 1 december 2014 excuses aan te bieden voor die vertraging. Dit wordt door de  klachtenbehandelaar op 2 december 2014 schriftelijk bevestigd. In dit schrijven staat dat het bezwaarschrift en de vervolgcorrespondentie zonder goede reden te lang zijn blijven liggen op de afdeling belastingen. Daar voegt de gemeente aan toe dat de leidinggevende van die afdeling de toezegging heeft gedaan zich maximaal in te spannen om herhaling van het gebeurde te voorkomen.

Het verzoek aan de Ombudscommissie

Verzoeker laat de Ombudscommissie in mailberichten van 8 en 24 december 2014 weten, niet tevreden te zijn met het antwoord van de gemeente op zijn klacht. Verzoeker vraagt de Ombudscommissie  zijn klachten te onderzoeken.

Verzoeker schrijft dat hij de gemeente heeft verzocht om inzage in de taxatiekaart en dat de gemeente daarop heeft geantwoord dat daaraan geen gehoor zal worden gegeven omdat er beleidsregels zijn die dat niet toelaten. Het bezwaar dat verzoeker vervolgens daartegen heeft ingesteld, werd niet binnen de wettelijke termijn behandeld. Tenslotte schrijft verzoeker dat de gemeente op zijn voorstel voor een alternatieve berekeningsmethode geen enkele reactie heeft gegeven.


Het standpunt van verzoeker

Verzoeker zegt in zijn mailberichten, tijdens de hoorzitting en in de door hem tijdens de hoorzitting overlegde verklaring over deze klachten:

1. Afwijzen van verzoek om taxatiekaart.

Verzoeker ervaart de systematiek die gehanteerd wordt om de WOZ-waarde voor de onroerende zaak belasting vast te stellen als onrechtvaardig en oneerlijk.

Het is niet juist dat hij het niet eens zou zijn met de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, maar het gaat er verzoeker om dat het voor hem onmogelijk is om die waardebepaling te controleren omdat hij  niet weet hoe die tot stand is gekomen en dus ook niet kan beoordelen of die al dan niet juist is.

Tijdens het gesprek in maart 2014 met twee medewerkers van de gemeente mocht verzoeker op een PC-scherm een taxatiekaart zien, maar de uitleg daarbij was voor hem niet voldoende duidelijk. Als voorbeeld noemt verzoeker dat er geen getalswaarde werd toegekend aan begrippen als ligging, type woning, bouwwijze, bouwjaar, staat van onderhoud en kwaliteit. Wel geeft verzoeker aan dat de medewerkers van goede wil waren en hun best deden.

Verzoeker begrijpt niet waarom er beleidsregels zijn die verbieden dat een taxatiekaart wordt afgegeven en vermoedt dat dit is om te voorkomen dat er op detailniveau discussies worden ontlokt. Verzoeker vraagt zich af of de gemeente iets te verbergen heeft.

Aanmatigend vindt verzoeker de opmerking van de gemeente dat hij wantrouwend zou zijn geweest tijdens het gesprek in maart 2014.

2. Niet reageren op bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn. 
Verzoeker heeft vanaf de datum van indiening van het bezwaarschrift (2 juli 2014) tot het moment waarop op dit bezwaarschrift is beslist (9 oktober 2014) geen enkele reactie gekregen van de gemeente, dit ondanks herinneringen door verzoeker op 21 juli en 17 augustus 2014. 
De excuses van de gemeente en de toezegging van het hoofd van de afdeling belastingen dat deze zich maximaal zal inspannen om bezwaarschriften binnen de gestelde termijn te beantwoorden is voor verzoeker weinig geloofwaardig nu verzoeker nadien een ingebrekestelling heeft moeten indienen.

3. Niet reageren op voorstel voor alternatieve methode van berekening.
Verzoeker heeft bij zijn bezwaarschrift van 2 juli 2014 aangeboden advies te kunnen geven over een praktische methode om de WOZ-waarde eenvoudig te berekenen. Hij gaf daarbij aan dat zijn tarief     € 500,00 euro per uur bedraagt. Verzoeker heeft nooit een reactie gekregen op dit aanbod.

4. De aanbeveling bezwaar te maken.

Het verzoek om inzage in de taxatiekaart werd op 2 juni 2014 door de gemeente afgewezen. In dit schrijven werd verzoeker gewezen op de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen. In de schriftelijke toelichting die verzoeker ter zitting overhandigt zegt verzoeker dat de belangrijkste reden van zijn klacht is dat een ambtenaar hem een aanbeveling doet, die hij eigenlijk niet had moeten doen.

Verzoeker volgt de aanbeveling en dient een bezwaarschrift in. Verzoeker begrijpt niet dat daarop als antwoord komt dat zijn bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is en vraagt zich af waarom de aanbeveling om bezwaar te maken dan is gedaan. Verzoeker is van mening dat deze aanbeveling niet gedaan had mogen worden. Het begrip “kenneliijk niet-ontvankelijk” vindt verzoeker volstrekt onduidelijk.

Het standpunt van de gemeente

De gemeente geeft onderstaand standpunt weer in het verweerschrift van 15 januari 2015 en op de hoorzitting.

1. Afwijzen van verzoek om taxatiekaart.

Er zijn al vele jaren gesprekken met verzoeker over zijn vragen naar de waardevaststelling. Uiteindelijk monden die vragen uit in bezwaren en beroepsprocedures. Tijdens gesprekken is wel inzage vertrekt in taxatiekaarten, maar dit blijft voor verzoeker een frustratiepunt. Hierin blijven de gemeente en verzoeker van mening verschillen.

De klachtenbehandelaar merkt tijdens de hoorzitting nog op dat zij het een winstpunt van deze hoorzitting zou vinden als er meer begrip voor elkaar kan komen. 

Er is volgens de gemeente een inhoudelijk geschil over de berekening van de eenheden die van belang zijn voor de bepaling van de WOZ-waarde. In 2008 en in 2009 is beroep ingesteld tegen de beslissingen op de bezwaarschriften door verzoeker. In beide gevallen is het beroep ongegrond verklaard. Er is regelmatig uitleg gegeven over de wijze van totstandkoming van de WOZ-waarde en de toegepaste vergelijkingsmethode. De gemeente verwijst daarvoor naar e-mail correspondentie en een brief van 12 november 2007 aan verzoeker.

In 2014 is er opnieuw uitspraak op het bezwaarschrift van verzoeker over de waarde gedaan. Vervolgens heeft in maart 2014 een gesprek plaatsgevonden met twee taxateurs en is het hele proces van de WOZ-waardering doorgesproken, uitgelegd en toegelicht. De insteek van verzoeker in dit gesprek was naar de mening van de medewerkers wantrouwend. Vervolgens heeft verzoeker een klacht ingediend en aangegeven dat de gemeente nalaat een schriftelijke onderbouwing te geven.

De gemeente is van mening dat de medewerkers van de afdeling belastingen (later de afdeling gegevensbeheer&taxatie) verzoeker gevraagd en ongevraagd alle informatie hebben gegeven met betrekking tot de berekening en de waardering van zijn woning.

In het schrijven van 2 juni heeft de gemeente het verzoek om inzage in de taxatiekaart afgewezen en  uitgelegd waarom de taxatiekaart niet kan worden verstrekt. Deze afwijzing is gebaseerd op beleidsregels (Gemeenteblad 2012, nr. 60 onder E.), die bepalen dat alleen het taxatieverslag wordt verstrekt.

Tijdens de hoorzitting voegt de gemeente hieraan toe dat als de taxatiekaart wel zou worden verstrekt, ook de buren die taxatiekaart mogen zien omdat die kaart dan op grond van de WOB (Wet Openbaarheid van Bestuur) openbaar is geworden. Er zit dus een privacy aspect aan. Bovendien geeft de Waarderingskamer aan wat er verstrekt moet worden en daar valt niet de taxatiekaart onder.

Op de vraag van de Ombudscommissie tijdens de hoorzitting of de gemeente nog heeft overwogen af te wijken van het beleid, hetgeen incidenteel immers mogelijk is, antwoordt de gemeente dat verzoeker de gelegenheid is gegeven om de taxatiekaart in te zien.

2. Niet reageren op bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn.

De gemeente geeft toe dat het bezwaarschrift van verzoeker te lang is blijven liggen. Tijdens de hoorzitting benadrukte de klachtenbehandelaar nogmaals dat de gemeente dat heel vervelend vindt en dat ze goed snapt dat dat nog meer frustreert. In het telefoongesprek van 1 december 2014 met de klachtenbehandelaar en de brief van 2 december 2014 bood de gemeente welgemeende excuses hiervoor aan. Daarbij liet de gemeente weten dat de betreffende leidinggevende de toezegging had gedaan om zich maximaal in te spannen om herhaling van het gebeurde te voorkomen.

3. Niet reageren op voorstel voor alternatieve methode van berekening.

Tijdens de hoorzitting heeft de gemeente aangegeven dat verzoeker desgewenst contact op kan nemen met het bureau dat de gemeente heeft ingehuurd voor het maken van het model van berekening.

4. De aanbeveling bezwaar te maken.

De gemeente geeft aan dat de rechtsmogelijkheid opgenomen is in de beslissing op het informatieverzoek. De gemeente ontkent dat een medewerker in een telefoongesprek aanbevolen

heeft om een bezwaarschrift in te dienen.

De overwegingen van de Ombudscommissie

 

Wijze van beoordeling

De Ombudscommissie onderzoekt of de gemeente op een behoorlijke manier is omgegaan met verzoeker. Het verzoek wordt getoetst aan de behoorlijkheidsnormen uit de Behoorlijkheidswijzer van de Nationale Ombudsman (die te vinden zijn op: www.nationaleombudsman.nl/behoorlijkheidswijzer).

In dit onderzoek heeft de Ombudscommissie getoetst aan de vereisten van Goede informatie verstrekking, Voortvarendheid enLuisteren naar de burger.


Beoordeling

1. Afwijzen verzoek om taxatiekaart
Tijdens de hoorzitting geeft de gemeente aan dat het verzoek om de taxatiekaart is afgewezen op grond van de beleidsregels (Gemeenteblad 2012, nr. 60 onder E.), die aangeven dat alleen het taxatieverslag wordt verstrekt. Daar voegt de gemeente aan toe dat als de taxatiekaart wel zou worden verstrekt, ook de buren die taxatiekaart mogen zien omdat die kaart dan op grond van de WOB (Wet Openbaarheid van Bestuur) openbaar is geworden.

De Ombudscommissie ziet dat evenwel anders, zoals blijkt uit het onderstaande.

De taxatiekaart valt onder “de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde”, zoals art 40 tweede lid van de WOZ bepaalt. Deze gegevens mogen volgens ditzelfde artikellid alleen worden verstrekt aan “degene te wiens aanzien een beschikking is genomen”, in dit geval alleen aan verzoeker dus. 
Art 40 WOZ is een bijzondere regeling voor openbaarmaking die de bepalingen van de WOB opzij zet (Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 17 september 2003, zaaknummer 200300659/01 (herhaald in een uitspraak van 11 december 2013, zaaknummer 201208181/01).

Volgens deze uitspraken volgt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever met artikel 40 WOZ een toegesneden regeling inzake openbaarmaking en geheimhouding heeft willen treffen ter zake van bij de waardevaststelling van woningen betrokken gegevens. Daarbij heeft de wetgever getracht een evenwicht te vinden tussen het belang van degene te wiens aanzien een beschikking is genomen om de waardevaststelling van de eigen woning te kunnen controleren en het belang van geheimhouding van gegevens over een niet aan hem toe te rekenen object. 
De wetgever heeft dus willen voorkomen dat men onbegrensd informatie kan opvragen over de waardegegevens van woningen van anderen. Het argument van de gemeente dat indien de taxatiekaart aan verzoeker zou worden verstrekt deze vervolgens op grond van de WOB ook afgegeven moet worden aan een ander die hierom verzoekt gaat dan ook niet op.

Wat dan wel de achtergrond is van de beleidsregel die stelt dat op een verzoek om een taxatiekaart volstaan wordt met het verstrekken van een taxatieverslag is de Ombudscommissie niet duidelijk. 
Dit klemt temeer nu de gemeente zelf aangeeft (in het schrijven van 2 juni 2014) dat aan de hand van een uitgebreide taxatiekaart men “meer na zou kunnen rekenen”. En dat is nu net wat verzoeker wil, zo goed mogelijk kunnen controleren hoe de waarde tot stand is gekomen. Naar een burger toe kan de gemeente dus niet goed uitleggen waarom de taxatiekaart wordt achtergehouden. De Ombudscommissie kan zich voorstellen dat een burger dan wantrouwend wordt, zoals de gemeente  de houding van verzoeker omschrijft. 

Evenwel, nu de gemeente zich beroept op een beleidsregel, en derhalve op het algemeen beleid van de gemeente is de Ombudscommissie niet bevoegd om hierover te oordelen op grond van artikel 9:22 sub a Awb.

Het is overigens de vraag wat verzoeker ermee opschiet om te beschikken  over de taxatiekaart. Of een exacte controle door middel van de taxatiekaart mogelijk zal zijn is maar de vraag.

De Nationale Ombudsman schrijft hierover dat er sprake is van een zogenaamde ‘WOZ-paradox’ in  zijn rapport van 7 februari 2012 (nr 2012/016 samen met de Ombudscommissie ’s-Hertogenbosch):

De wijze waarop de WOZ-beschikking de waarde presenteert wekt de indruk dat de waarde met een objectieve, rekenkundige benadering is vast te stellen op een exact bedrag. Niets is minder waar. De essentie van waarderen is een zo nauwkeurig mogelijke benadering van de verwachte werkelijkheid. Bij verkoop is de uiteindelijke prijs ook het resultaat van onderhandelingen, de prijs staat daarbij ook niet op voorhand vast. Dit maakt dat de uitkomst van de taxatie zich binnen een zekere bandbreedte van de werkelijkheid bevindt. Binnen deze bandbreedte bevinden zich verschillende bedragen die elk voor zich de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak (de WOZ-waarde) kunnen zijn. In het voorgaande schuilt een contradictie. De WOZ-beschikking noemt immers één bedrag, terwijl ook de omliggende bedragen de WOZ-waarde kunnen zijn. Deze tegenstrijdigheid tussen bedrag en bandbreedte, wordt in het rapport aangeduid als de 'WOZ-paradox'. “

In deze uitspraak geeft de Nationale Ombudsman wel een toetsingskader voor het behandelen van klachten over de WOZ-waardebepaling. De Ombudsman verwijst daarbij naar het rapport van de Waarderingskamer en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten “Vertrouwen omhoog, bezwaren omlaag”. In dit rapport worden voor een goede WOZ-beschikking de pijlers ‘kwaliteit’, ‘inzicht’ en ‘acceptatie’ onderscheiden.

De pijler ‘inzicht’ kan ook wel aangeduid worden als ‘Transparantie’, een belangrijke behoorlijkheidsnorm. Klachten hebben vaak betrekking op deze pijler volgens de Nationale Ombudsman: 
Dit betreft vaak de uitleg aan de burger van de vastgestelde waarde, waarbij de gemeente laat zien welke gegevens en analysetechnieken zijn gebruikt en hoe het gebruik daarvan zich op correcte wijze vertaalt in de vastgestelde waarde.”

Het volgende uitgangspunt van de Nationale Ombudsman neemt de Ombudscommissie als toetsingskader voor de beoordeling van het onderhavige verzoek over:

De gemeente handelt behoorlijk als op iedere vraag over de vaststelling van de WOZ-waarde een antwoord wordt gegeven. Denkbaar is dat de gemeente dat niet altijd zelf kan, zeker als het gaat om vragen die technisch van aard zijn (bijvoorbeeld over het gebruikte model). Daarbij gelden ook voor de gemeente wettelijke beperkingen.
Daarbij komt de Nationale Ombudsman tot de volgende vragen:

1. Wat vraagt de burger en waarom wil hij dat weten?
2. Is de informatie die de gemeente zelf kan geven voldoende of zijn er externe partijen die de gevraagde informatie kunnen geven?
Als de informatie die de gemeente kan verstrekken niet leidt tot een bevredigend antwoord, zoekt de gemeente naar externe mogelijkheden om tot een antwoord te komen.

Als burgers precies het naadje van de kous willen weten als het gaat om het model dat de WOZ-waarde bepaalt beschikken gemeenten over het algemeen niet zelf over die kennis. De gemeente moet zich inspannen om die informatie beschikbaar te maken. Een specialist of het ingeschakelde bureau voor de waardebepaling kan gevraagd worden een toelichting te geven en vragen te beantwoorden.

3. Zijn er wettelijke grenzen die de informatieverstrekking inperken?

Privacywetgeving en bescherming van bedrijfsbelangen perken de te geven informatie in. Er is een maximum aan het aantal andere panden waarvan de WOZ waarde mag worden opgevraagd. En bedrijven die de modellen ontwerpen zullen vanwege hun economische belang niet verplicht zijn om bepaalde informatie openbaar te maken.

Om tot een oordeel te komen is de Ombudscommissie de onderdelen van het bovenomschreven toetsingkader langsgegaan.
1. Wat vraagt verzoeker en waarom wil hij dat weten

Uit de stukken blijkt dat het verzoeker er vooral om gaat dat het onmogelijk is om de waardebepaling te controleren omdat hij niet weet hoe die tot stand is gekomen. De gemeente is ingegaan op de  vragen en heeft verzoeker ook uitgenodigd voor een gesprek in maart 2014.

De Ombudscommissie concludeert dat de gemeente voldoende heeft nagegaan wat verzoeker precies wilde weten en waarom hij dat wilde weten.

2. Is de informatie die de gemeente zelf kan geven voldoende

Verzoeker wil een berekening kunnen maken en getalswaarden zien. De uitleg tijdens het gesprek in maart 2014 heeft geen antwoord gegeven op zijn specifieke vragen hiernaar. Voor verzoeker was de uitleg ondanks de goede wil van de medewerkers die volgens verzoeker hun best deden niet voldoende duidelijk.

In het schrijven van 2 juni 2014 is de gemeente nog eens uitvoerig op de vragen ingegaan, maar ook hierin vindt verzoeker niet het antwoord op zijn vraag hoe hij de waardebepaling na kan rekenen, zeker niet als hij niet kan beschikken over de taxatiekaart. 
Deze vraag speelt voor verzoeker al vele jaren. Verzoeker heeft zijn toevlucht moeten nemen tot het maken van bezwaar om dit alsnog beantwoord te krijgen. 
De vraag is niet of de gemeente aan haar wettelijke verplichting om informatie te verstrekken voldoet – de ondergrens- maar of die ook aan de eisen van behoorlijkheid voldoet. Dat betekent dat de gemeente informatie waar burgers een redelijk belang bij hebben moet verstrekken voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is. 
De Ombudscommissie concludeert dat de gemeente niet alle verlangde informatie heeft kunnen geven nu zij zichzelf een belangrijke beperking oplegt door in beleidsregels te bepalen dat de taxatiekaart niet verstrekt wordt. De gemeente heeft voor dit probleem een oplossing gevonden door tijdens het gesprek in maart 2014 verzoeker de gelegenheid te bieden de taxatiekaart op een beeldscherm te laten inzien. De Ombudscommissie is van oordeel dat de gemeente op deze wijze de vraag van verzoeker naar de taxatiekaart voldoende heeft beantwoord. 

3. Zijn er externe partijen die de gevraagde informatie kunnen geven

De vraag is of de gemeente zelf de door verzoeker verlangde informatie die hem in staat zou stellen de berekening te controleren, zou kunnen verstrekken. Het model dat de gemeente gebruikt is ontwikkeld door een commercieel bureau. De gemeente heeft niet de vrijheid om te onthullen hoe de software precies werkt. 
De gemeente zou kunnen overwegen het bureau zelf om nadere uitleg te vragen, rekening houdend met wat er gezien het economisch belang wel of niet onthuld kan worden.

Een gesprek met het bureau dat de gemeente daarvoor heeft ingehuurd is niet aangeboden door de gemeente. Pas tijdens de hoorzitting is een suggestie gedaan aan verzoeker om contact met dit bureau op te nemen, maar dan in het kader van verzoekers aanbod van een alternatief model. Uit de stukken blijkt niet dat verzoeker specifieke vragen over het model heeft gesteld aan de gemeente.

De Ombudscommissie concludeert dat er voor de gemeente geen aanleiding was om een externe partij de gevraagde informatie te laten leveren.

Ondanks de informatie die verstrekt is heeft verzoeker niet het antwoord gekregen waar hij op hoopte. Verzoeker heeft behoefte aan een eenvoudige methode waarin op duidelijke wijze inzicht wordt gegeven in de manier waarop de waarde van zijn woning is berekend. 
Dat vindt de Ombudscommissie op zich een begrijpelijke wens. Zeker als een burger zelf over de deskundigheid beschikt om dit soort methodes en modellen te ontwerpen, zoals verzoeker aangeeft.

Voor de burger fungeert het waarderingsmodel nu als een soort ‘black box’. Er wordt input ingestopt, daarmee gebeurt iets onnavolgbaars en dat levert een woningwaarde op. Het resultaat van de modelmatige waardering kan dan alleen gecontroleerd worden door vergelijking met een aantal andere (verkochte) woningen.

Het modelmatig werken, in het bijzonder de wijze waarop de gemeente Eindhoven dit doet is niettemin goedgekeurd door de Waarderingskamer. Er wordt onderzoek gedaan door de Waarderingskamer in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam naar modellen die geautomatiseerd inzicht geven in de wijze waarop de bepaalde waardes zijn berekend. Dat soort modellen zijn evenwel nog niet voorhanden. De gemeente Eindhoven heeft dus daarin geen andere keus dan te werken met een model dat dit inzicht (nog) niet kan geven.  

Concluderend is de Ombudscommissie van oordeel dat de gemeente niet tekort is geschoten in het verstrekken van informatie en daarmee heeft gehandeld in overeenstemming met de behoorlijkheidsnorm van Goede informatieverstrekking. Dit onderdeel van de klacht acht de Ombudscommissie dan ook niet gegrond.

2. Niet reageren op bezwaarschrift binnen wettelijke termijn

De behoorlijkheidsnorm van voortvarendheid houdt in dat de overheid zo snel en slagvaardig mogelijk handelt. Daarbij zijn de wettelijke termijnen uiterste termijnen. Als besluitvorming langer duurt, dan informeert de overheid de burger daarover tijdig.

Verzoeker heeft vanaf de datum van indiening van het bezwaarschrift (2 juli 2014) tot het moment waarop op dit bezwaarschrift is beslist (9 oktober 2014) geen enkele reactie gekregen van de gemeente, dit ondanks zijn herinneringen van 21 juli en 17 augustus 2014. 
De gemeente heeft toegegeven dat het bezwaarschrift van verzoeker te lang is blijven liggen en dat er geen enkele reactie op is gevolgd. De klachtenbehandelaar heeft telefonisch en in de brief van 2 december 2014 namens de gemeente  excuses hiervoor aangeboden. Daarbij liet de gemeente weten dat de betreffende leidinggevende de toezegging had gedaan om zich maximaal in te spannen om herhaling van het gebeurde te voorkomen.

De behoorlijkheidsnorm van voortvarendheid houdt in dat de gemeente in elk geval binnen de wettelijke termijn een beslissing op het bezwaarschrift neemt en de bezwaarmaker informeert als de besluitvorming langer duurt. Daarnaast heeft de gemeente zelf normen voor het verzenden van  ontvangstbevestigingen die zijn neergelegd in het Kwaliteitshandvest “Dienstverlenen doen we zo”. Blijkens dit Kwaliteitshandvest stuurt de gemeente na het indienen van een bezwaarschrift een schriftelijke ontvangstbevestiging.

Nu verzoeker gedurende ruim drie maanden verstoken is gebleven van enige reactie op zijn bezwaarschrift en zelfs geen ontvangstbevestiging heeft gekregen heeft de gemeente niet gehandeld in overeenstemming met de behoorlijkheidsnorm van Voortvarendheid. Er zijn evenwel excuses aangeboden door de klachtenbehandelaar en er is een toezegging gedaan door de betreffende leidinggevende om herhaling te voorkomen. De Ombudscommissie vindt dat daarmee de onbehoorlijkheid is weggenomen.

Op dit onderdeel acht de Ombudscommissie de klacht van verzoeker dan ook niet gegrond.

3. Niet reageren op voorstel voor alternatieve methode van berekening

Verzoeker heeft bij zijn bezwaarschrift van 2 juli 2014 aangeboden advies te geven over een praktische methode om de WOZ-waarde eenvoudig te berekenen. Hij gaf daarbij aan dat zijn tarief     € 500,00 euro per uur bedraagt. Verzoeker heeft nooit een reactie gekregen op dit aanbod.

Tijdens de hoorzitting heeft de gemeente aangegeven dat verzoeker desgewenst contact op kan nemen met het bureau dat de gemeente heeft ingehuurd om een model van berekening te maken.

De Ombudscommissie constateert dat pas tijdens hoorzitting een voorstel is gedaan aan verzoeker om met het bureau dat de gemeente heeft ingehuurd te gaan praten. Voor die tijd heeft de gemeente niet gereageerd op het aanbod van verzoeker.

De behoorlijkheidsnorm van Luisteren naar de burger houdt in dat de overheid de burger serieus neemt. Daartegenover staat dat ook van de burger verwacht mag worden in de communicatie met de overheid serieus te zijn. Dat betekent naar het oordeel van de Ombudscommissie in het onderhavige geval dat een aanbod, gedaan in de context van een bezwaarschrift met vermelding van een buitensporig hoog uurtarief niet als serieus aangemerkt hoeft te worden, zodat de gemeente hier niet op in had hoeven gaan. 
Daarmee acht de Ombudscommissie de klacht op dit onderdeel dan ook niet gegrond. 

4. Aanbevelen om bezwaar te maken

Het verzoek om inzage in de taxatiekaart werd op 2 juni 2014 door de gemeente afgewezen. In dit schrijven werd verzoeker gewezen op de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen.

Verzoeker heeft gebruik gemaakt van die mogelijkheid en een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar wordt vervolgens kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker trekt daaruit de conclusie dat een   aanbeveling om bezwaar in te dienen niet gedaan had mogen worden.

De wet verplicht de gemeente om in beslissingen aan te geven wat de rechtsmiddelen zijn (Artikel 3:45 Awb). Het vermelden van de mogelijkheid van bezwaar in de beslissing van 2 juni 2014 stond dan ook niet ter vrije keuze van de gemeente. Deze vermelding van de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden is door verzoeker geïnterpreteerd als een aanbeveling om dit te doen. Deze interpretatie moet naar de mening van de Ombudscommissie voor rekening blijven van verzoeker en kan niet aan de gemeente worden toegerekend.

De Ombudscommissie kan zich wel voorstellen dat het voor verzoeker verwarrend moet zijn geweest om vervolgens te vernemen dat de gemeente zijn bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaart. Uit de stukken leest de Ombudscommissie dat het niet ontvankelijk verklaren  te maken heeft met de inhoud van het bezwaarschrift en niet met het bezwaarschrift op zichzelf. Het bezwaarschrift richt zich namelijk tegen de invoering van een beleidsregel. De beslissing tot niet-ontvankelijk verklaren van 9 oktober 2014 geeft aan dat op grond van artikel 8:3 lid 1 Awb tegen een besluit dat een beleidsregel inhoudt (en de vaststelling van een beleidsregel) geen beroep kan worden ingesteld en in samenhang met artikel 7:1 lid 1 Awb dus ook geen bezwaar kan worden gemaakt. De conclusie van de gemeente om het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk te verklaren acht de Ombudscommissie in overeenstemming met de wettelijke mogelijkheden. De toevoeging van het woord “kennelijk” is een mogelijkheid die de wetgever heeft gegeven voor die gevallen waar er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de niet-ontvankelijkheid (Artikel 7:3 sub a Awb).

Met het vermelden van de mogelijkheid om bezwaar te maken heeft de gemeente naar het oordeel van de Ombudscommissie voldaan aan haar informatieverplichting en daarmee aan de norm van Goede informatieverstrekking.

De klacht acht de Ombudscommissie om die reden op dit onderdeel dan ook niet gegrond.

Conclusie

De Ombudscommissie verklaart de klachten over de onderzochte gedragingen van de gemeente Eindhoven ongegrond.