Rapport 19 december 2016: klacht over behandeling aanvraag (bijzondere) bijstand

Verzoeker heeft de Ombudscommissie gevraagd zijn klacht te onderzoeken inhoudende dat medewerkers van de gemeente zijn aanvraag voor (bijzondere) bijstand niet op een juiste wijze in behandeling hebben genomen en verzoeker als gevolg van dit handelen zijn appartement moest verlaten en intrek heeft genomen in een hotelkamer.

Het verzoek

Verzoeker heeft de Ombudscommissie gevraagd zijn klacht te onderzoeken inhoudende dat medewerkers van de gemeente zijn aanvraag voor (bijzondere) bijstand niet op een juiste wijze in behandeling hebben genomen en verzoeker als gevolg van dit handelen zijn appartement moest verlaten en intrek heeft genomen in een hotelkamer.

Bevoegdheid, kenbaarheid en behandelingsplicht 

De te onderzoeken klachten betreffen gedragingen van de gemeente Eindhoven, hierna te noemen de gemeente. De Ombudscommissie is ingesteld als externe klachtinstantie voor gedragingen van de gemeente Eindhoven. 

Een interne klachtbehandeling door de gemeente is aan het verzoek voorafgegaan. Daarmee is voldaan aan het zogenaamde kenbaarheidsvereiste van artikel 9:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De procedure

Verzoeker heeft de Ombudscommissie op 18 november 2015 gevraagd zijn klachten te onderzoeken. 

De gemeente verwijst in haar verweerschrift van 26 februari 2016 aan de Ombudscommissie naar haar oordeel van 9 juni 2015 over de klacht. Door het terug treden van de vorige Ombudscommissie heeft de hoorzitting van de nieuwe Ombudscommissie eerst op 10 oktober 2016 plaatsgevonden. Beide partijen hebben in de hoorzitting een toelichting gegeven aan de Ombudscommissie en vragen van de commissie beantwoord, nadat de Ombudscommissie kennis had genomen van de ingekomen stukken. Aan het einde van de hoorzitting is het onderzoek gesloten. Nadien heeft verzoeker nog nadere stukken gezonden. Aangezien het onderzoek reeds gesloten is, zal de Ombudscommissie deze stukken niet meer betrekken bij de beoordeling van de onderhavige klachten. Van de hoorzitting is verslag opgesteld, dat naar zowel  verzoeker als de gemeente is opgestuurd voor eventueel aanvullend commentaar. Hierop is op 31 oktober 2016 een reactie van verzoeker gekomen. Op 5 november 2016 is het definitieve verslag van de hoorzitting aan partijen verzonden.

Op 18 november 2016 is het verslag van bevindingen met daarin elf onderdelen aan beide partijen verzonden. Op diezelfde dag heeft mevrouw xxxx namens de gemeente een reactie gegeven. Op 22 november 2016 is ook een reactie van verzoeker ontvangen. Verzoeker geeft in die reactie aan dat de omvang van het verzoek beperkt moet worden. Omdat deze mededeling vragen oproept bij de Ombudscommissie, heeft de secretaris van de Ombudscommissie een nadere toelichting gevraagd. Uit een schriftelijke reactie van 30 november 2016 volgt dat verzoeker de essentie van zijn klachten behandeld wil zien. In dat bericht trekt verzoeker geen enkel onderdeel van zijn klacht expliciet  in. Bovendien is het onderzoek reeds op 10 oktober 2016 gesloten. De Ombudscommissie zal gelet hierop, alle onderdelen die verzoeker gesteld heeft, behandelen. Te meer nu verzoeker hierdoor niet in zijn belangen geschaad wordt.

De Ombudscommissie heeft de reacties van partijen op het verslag van bevindingen gewogen en betrokken in onderstaande bevindingen.

De Ombudscommissie toetst het handelen van de gemeente  aan de hand van de behoorlijkheidswijzer (www.nationaleombudsman.nl/behoorlijkheidswijzer). Volledigheidshalve merkt de Ombudscommissie op dat indien bezwaar dan wel beroep tegen een besluit kan of kon worden ingesteld, de Ombudscommissie niet bevoegd is een oordeel over het geschil uit te spreken.

Bevindingen van de Ombudscommissie

Het standpunt van verzoekers

Zakelijk weergegeven heeft verzoeker de volgende klachten ter beoordeling aan de Ombudscommissie voorgelegd:

  1. Verzoeker stelt dat hij op 13 maart 2015 een klacht heeft ingediend bij de gemeente tegen mevrouw xxxx en mevrouw xxxx in verband met het niet juist in behandeling nemen van zijn aanvraag op grond van artikel 11 van de Participatiewet en van zijn aanvraag voor bijzondere bijstand in het kader van artikel 35 Participatiewet (d.d. 19 januari 2015).
  2. Mevrouw xxxx zou bij die aanvraag een onjuist standpunt hebben ingenomen met betrekking tot het inschrijfadres. Naar de mening van verzoeker was het gedrag van mevrouw xxxx onbuigzaam en had ze abjecte standpunten.
  3. Verzoeker is dientengevolge in een schrijnende situatie terecht gekomen en hij heeft noodgedwongen zijn intrek heeft moeten nemen in een hotel. Inmiddels is daar een betalingsachterstand ontstaan en is verzoeker door de kantonrechter onder andere veroordeeld tot het betalen van een bedrag van EUR xxxx in verband met een huurachterstand en dient hij de hotelkamer te verlaten.
  4. Verzoeker dreigt hierdoor op zeer korte termijn op straat terecht te komen en verzoekt de gemeente om een oplossing.
  5. Voorts stelt verzoeker dat mevrouw xxxx verantwoordelijk is voor de inhoud van de brief van 16 maart 2015 betreffende afspraken over het gedrag van verzoeker.
  6. Als gevolg hiervan kan verzoeker lastig dan wel onmogelijk communiceren met de gemeente.
  7. Voorts heeft verzoeker gedurende de klachtenbehandeling het verzoek ingediend dat mevrouw xxxx niet bij de behandeling van het dossier betrokken zou worden. Desondanks was mevrouw xxxx toch betrokken bij de behandeling van de klacht in eerste instantie.

Tijdens de hoorzitting heeft verzoeker zijn klachten nader toegelicht. Daarbij heeft verzoeker tevens aanvullend aan de orde gesteld dat:

  1. Verzoeker diverse juridische procedures aanhangig heeft gemaakt in verband met onder andere zijn echtscheiding en hypotheek bij de Rabobank.
  2. Verzoeker graag een oplossing wil voor zijn huidige situatie en hij hoopt dat de gemeente hem kan helpen.
  3. Verzoeker verbaasd is dat mevrouw xxxx bij de hoorzitting aanwezig is.
  4. Verzoeker middels een Wob verzoek een dossier heeft gekregen waar opmerkingen over zijn persoon in staan die niet correct zijn. Hij heeft daarom aangifte gedaan van smaad en laster.

Het standpunt van de gemeente

De gemeente heeft in haar verweerschrift van 25 februari 2016 verwezen naar de brief van 9 juni 2015 waarin de klachten van verzoeker behandeld zijn. Voorts heeft de gemeente zich in haar verweerschrift op het standpunt gesteld dat verzoeker niet toelicht waarom hij het niet eens is met de beoordeling van zijn klachten. Tijdens de hoorzitting hebben mevrouw xxxx en mevrouw xxxx aanvullend hierop het standpunt van de gemeente nader toegelicht en vragen van de Ombudscommissie beantwoord.

Ten aanzien van punt 1:
Middels de klacht van verzoeker van 13 maart 2015 stelt verzoeker dat hij op 20 januari 2015 bedoeld heeft om een aanvraag te doen voor bijzondere bijstand. Voorts heeft verzoeker de gemeente op 21 april 2015 een ingebrekestelling gestuurd. Naar aanleiding van deze ingebrekestelling heeft de gemeente op 30 april 2015 aan verzoeker een besluit gestuurd waarin wordt aangegeven dat er geen sprake was van een schriftelijke aanvraag conform artikel 4:1 Awb. Indien verzoeker het niet eens is met de conclusie van dit besluit, kon hij rechtsmiddelen indienen. Daarom wordt dit deel van de klacht door de gemeente niet in behandeling genomen (artikel 9:8 lid 1 Awb).

Ten aanzien van punt 2:

Op 15 januari 2015 is er e-mailcorrespondentie geweest tussen verzoeker en mevrouw xxxx. Mevrouw xxxx heeft in de correspondentie vanuit het oogpunt van dienstverlening verzoeker veelvuldig van informatie voorzien. De klacht is daarom naar het oordeel van de gemeente ongegrond.

Ten aanzien van punt 3, 4, en 9:

Op de hoorzitting hebben mevrouw xxxx en mevrouw xxx erop gewezen dat het gaat om de situatie die buiten de omvang van onderhavige klachtenprocedure valt. De veroordeling door de kantonrechter was bovendien nog niet actueel tijdens de klachtbehandeling. Tijdens de hoorzitting hebben mevrouw xxxx en mevrouw xxxx desgevraagd aangegeven dat toegang tot hulpvragen die verzoeker doet, via WIJEindhoven verlopen en dat verzoeker daarvan op de hoogte is en verzoeker daar tevens een contactpersoon heeft tot wie hij zich kan wenden.

Ten aanzien van punten 5 en 6:

In de brief van 16 maart 2016 heeft niet mevrouw xxxx maar de heer xxxx, sectorhoofd Sociaal Domein, gedragsregels opgelegd aan verzoeker. In de brief is duidelijk beschreven wat ertoe geleid heeft dat de gedragsregels zijn opgelegd en wat de consequenties kunnen zijn als verzoeker de gedragsregels niet naleeft. Ook volgt uit die brief hoe verzoeker contact kan opnemen met de gemeente.  Mevrouw xxxx heeft de brief wel behandeld maar niet is gebleken dat mevrouw xxxx verantwoordelijk is voor de brief. De verantwoordelijkheid lag bij het sectorhoofd Sociaal Domein. De klacht is naar het oordeel van de gemeente dan ook ongegrond.

Ten aanzien van punt 7:

De brief van 9 juni 2015 is door mevrouw xxxx  -en niet door mevrouw xxxx-  inhoudelijk behandeld.

Ten aanzien van punten 8, 10 en 11:

De gemeente heeft zich onthouden van een standpunt aangezien deze buiten de omvang van onderhavige klachtenprocedure vallen.

De overwegingen van de Ombudscommissie

Tijdens de hoorzitting heeft de Ombudscommissie excuses aangeboden voor de vertraging van de behandeling van de klachten, door het plotselinge vertrek van de vorige Ombudscommissie.

Wijze van beoordeling

De Ombudscommissie onderzoekt of de gemeente op een behoorlijke manier is omgegaan met verzoeker. De commissie toetst aan de behoorlijkheidsnormen uit de Behoorlijkheidswijzer van de Nationale Ombudsman. De Behoorlijkheidswijzer is te vinden op www.nationaleombudsman.nl/behoorlijkheidswijzer.nl.

In dit onderzoek heeft de Ombudscommissie met name getoetst aan de behoorlijkheidsnormen:

“goede informatie voorziening”, “goede motivering”, “respecteren van grondrechten”, fatsoenlijke bejegening”, “Fair Play”, “evenredigheid”, “maatwerk”, “de-escalatie” en “integriteit”.

Beoordeling

Ten aanzien van punt 1:

De Ombudscommissie heeft tijdens de hoorzitting aan verzoeker uitgelegd dat de bevoegdheid van de Ombudscommissie beperkt is. Tijdens de hoorzitting heeft de Ombudscommissie aangegeven dat zij niet op de stoel van de (bestuurs-) rechter kan, mag en wil gaan zitten. Ten aanzien van de klacht of de aanvraag tot het verlenen van de verzochte bijstand al dan niet terecht is afgewezen of buiten behandeling is gesteld, is aan verzoeker meegedeeld dat tegen dit oordeel (fictief) bezwaar- en beroep mogelijk was. Verzoeker had dan ook die weg dienen te bewandelen om de rechtmatigheid van de besluitvorming te laten toetsen.  In onderhavige klachtprocedure is daarvoor geen ruimte. De Ombudscommissie laat zich daarom niet uit over dit onderdeel van de klacht.

Ten aanzien van punt 2:

De Ombudscommissie stelt vast dat er op 15 januari 2015 e-mailcorrespondentie is geweest tussen verzoeker en mevrouw xxxx waarin mevrouw xxxx nadere informatie heeft verschaft, vragen heeft beantwoord en verzoeker heeft verwezen. Mevrouw xxxx heeft in de correspondentie vanuit het oogpunt van dienstverlening verzoeker van informatie voorzien. Verzoeker heeft deze correspondentie niet betwist. De Ombudscommissie heeft geen reden om te twijfelen aan de lezing van mevrouw xxxx. De Ombudscommissie komt dan ook tot het oordeel dat de behoorlijkheidsnormen “Goede Informatievoorziening”, “Goede Motivering”, “Fatsoenlijke Bejegening” en “Fair Play” niet geschonden zijn. De klacht is op dit onderdeel dan ook ongegrond.

Ten aanzien van punten 3, 4 en 9:

De Ombudscommissie heeft tijdens de hoorzitting aangegeven dat de actuele hulpvraag die verzoeker aan de orde heeft gesteld vanwege de veroordeling door de kantonrechter in de procedure met het hotel waar verzoeker verblijft, een nieuw argument is dat ontstaan is na de behandeling van de onderhavige klachten door de gemeente.  Deze omstandigheid was dan ook niet betrokken bij de eerstelijns klachtenafhandeling door de gemeente. Omdat niet is voldaan aan het zogenaamde kenbaarheidsvereiste van artikel 9:20 van de Algemene wet bestuursrecht, valt de klacht buiten de omvang van de klachtbehandeling in tweede instantie door de Ombudscommissie.

Ten aanzien van punten 5 en 6:

De Ombudscommissie heeft kennisgenomen van de brief van 16 maart 2015. In deze brief zijn de afspraken over het gedrag van verzoeker vastgelegd en is ook door de gemeente gemotiveerd waarom zij tot dit oordeel is gekomen. Ook is in die brief uiteengezet op welke wijze verzoeker wel contact kan opnemen met de gemeente en wat de acties van de gemeente kunnen zijn indien verzoeker geen gevolg geeft aan deze afspraken. Deze brief is middels een “natte handtekening” ondertekend door de heer xxxx, sectorhoofd Sociaal Domein en hij is de verantwoordelijke ambtenaar ten aanzien van de brief.

Naar het oordeel van de Ombudscommissie heeft de gemeente, gelet op het groot aantal e-mailberichten en (dagelijkse) bezoeken en bijbehorende belasting van het ambtelijk apparaat, geen onredelijke of disproportionele gedragsafspraken gemaakt. Bovendien heeft de gemeente aan verzoeker voldoende gemotiveerd waarom zij tot deze afspraken is gekomen en heeft de gemeente door het noemen van de mogelijkheden waarop verzoeker wel toegang kan krijgen tot de gemeente, voldoende waarborgen in acht genomen.  

Blijkens de ondertekening van de brief was de heer xxxx, sectorhoofd Sociaal Domein, de ambtenaar die verantwoordelijk is voor de inhoud van de brief en de opgelegde maatregelen.  De stelling van verzoeker dat mevrouw xxxx zelf verantwoordelijk zou zijn voor de opgelegde maatregelen enkel omdat haar naam boven in de colofon van de brief staat, volgt de Ombudscommissie niet. 

De Ombudscommissie komt tot het oordeel dat de behoorlijkheidsnormen: “ goede informatie voorziening”, “goede motivering”, “respecteren van grondrechten”, fatsoenlijke bejegening”, “Fair Play”, “evenredigheid”, “maatwerk”, “de-escalatie” en “integriteit” niet geschonden zijn. De klacht is op deze onderdelen dan ook ongegrond.

Ten aanzien van punten 7 en 10:

De Ombudscommissie stelt vast dat de klacht, blijkens de brief van 9 juni 2015, door mevrouw xxxx  -en niet door mevrouw xxxx-  inhoudelijk is behandeld.

Dat mevrouw xxxx is uitgenodigd voor de hoorzitting bij de Ombudscommissie, is gelegen in de omstandigheid dat een deel van de klachten ziet op haar handelen. In het kader van de zorgvuldigheid en hoor- en wederhoor heeft de Ombudscommissie besloten om haar uit te nodigen voor de hoorzitting, te meer nu de behandeling van de klacht door de gemeente op 9 juni 2015 was afgerond en de Ombudscommissie zelf een onafhankelijk oordeel vormt over de gegrondheid van de klachten. De klacht is op deze onderdelen dan ook ongegrond.

Ten aanzien van punten 8 en 11:

De Ombudscommissie heeft tijdens de hoorzitting aan verzoeker uitgelegd dat de bevoegdheid van de Ombudscommissie beperkt is. Tijdens de hoorzitting heeft de Ombudscommissie aangegeven dat zij niet op de stoel van de rechter, de gemeente of andere (rechts)persoon kan, mag en wil gaan zitten (artikel 9:22 Awb). De Ombudscommissie laat zich daarom niet uit over deze onderdelen van de klacht.

CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN

De Ombudscommissie  komt tot het oordeel dat de klachten waarover de Ombudscommissie bevoegd is te oordelen, ongegrond zijn. De Ombudscommissie heeft geen nadere aanbevelingen aan de gemeente naar aanleiding van deze klachtprocedure.

Eindhoven, 13 december 2016

De Ombudscommissie EindhoveN,

Mr. M.A.H. de Kok,                                                                                   Mr. M.H. de Corti,

Voorzitter                                                                                                    Secretaris