Rapport 20 juli 2017: klacht discriminatie en verantwoordelijkheid voor verliezen huis

Verzoeker heeft de Ombudscommissie gevraagd zijn klacht te onderzoeken inhoudende dat de gemeente Eindhoven discrimineert en verantwoordelijk is dat verzoeker zijn woning in Eindhoven heeft verloren.

Het verzoek

Verzoeker heeft  op 25 januari 2017 een klacht ingediend bij de Ombudscommissie Eindhoven (hierna: “de Ombudscommissie”)  inhoudende dat de gemeente Eindhoven discrimineert en verantwoordelijk is dat verzoeker zijn woning in Eindhoven heeft verloren.  Verzoeker heeft aan de Ombudscommissie gevraagd zijn klacht te onderzoeken.

Bevoegdheid, kenbaarheid en behandelingsplicht

Zoals volgt uit artikel 9:20 van de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: “Awb”), is de Ombudscommissie slechts bevoegd om een klacht te behandelen nadat de gemeente Eindhoven (hierna:  “de gemeente”) eerst zelf de klacht behandeld heeft. Dit heet ook wel het kenbaarheidsvereiste. De gemeente moest dus eerst de klacht van verzoeker zelf behandelen voordat de Ombudscommissie de klacht kon onderzoeken. De Ombudscommissie heeft daarom op

2 maart 2017 de klacht doorgestuurd naar de gemeente . Op 13 maart 2017 heeft de gemeente gereageerd op de klacht en geoordeeld dat zij de klacht niet inhoudelijk zal behandelen. Hiermee is voldaan aan het kenbaarheidsvereiste van artikel 9:20 Awb. De Ombudscommissie heeft daarop de klachtprocedure weer opgepakt en zal beoordelen of de klachtbehandeling  door de gemeente, zoals uiteengezet is in de brief van 13 maart 2017, behoorlijk is geweest. De Ombudscommissie toetst het handelen van de gemeente aan de hand van de behoorlijkheidswijzer (www.nationaleombudsman.nl/behoorlijkheidswijzer).

De procedure

Op 23 mei 2017 zijn partijen uitgenodigd voor een hoorzitting. Aan het einde van deze hoorzitting heeft de voorzitter van de Ombudscommissie het onderzoek gesloten en meegedeeld dat de Ombudscommissie zich gaat beraden over het verzoek.  Van de hoorzitting is een verslag gemaakt dat op 12 juni 2017 naar verzoeker en de gemeente is gestuurd. De Ombudscommissie heeft voorts  op 27 juni 2017 een Verslag van Bevindingen naar partijen gestuurd en heeft partijen de gelegenheid geboden om hier uiterlijk op 11 juli 2017 op te reageren. Partijen hebben daar geen gebruik van gemaakt en de Ombudscommissie heeft geen reactie ontvangen.

De Ombudscommissie meent thans een volledig beeld van de gang van zaken te hebben en komt in dit verslag tot haar eindoordeel.

Volledigheidshalve merkt de Ombudscommissie op, dat, indien een bezwaar dan wel een beroep tegen een besluit kan worden ingediend, de Ombudscommissie niet bevoegd is een oordeel over het geschil uit te spreken.  Voorts merkt de Ombudscommissie op dat zij enkel over een klacht mag oordelen indien deze gaat over én een gedraging én over het handelen of nalaten van (een ambtenaar) van de gemeente.

Bevindingen van de Ombudscommissie

Het standpunt van verzoeker

De Ombudscommissie heeft kennisgenomen van het dossier en de ingekomen stukken tot aan het moment van de hoorzitting. Tijdens de hoorzitting is expliciet aan verzoeker gevraagd te omschrijven en te duiden over welke gedragingen van de gemeente verzoeker een klacht heeft. Uit het dossier en hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht,  zijn kort en zakelijk weergegeven drie klachten te onderscheiden. Dit zijn:

  1. De gang van zaken rondom het verkrijgen en het verliezen van de woonruimte  aan het adres xxxx te Eindhoven  en de rol die de gemeente er naar het oordeel verzoeker in gespeeld heeft;
  2. De gang van zaken rondom het afkeuren van het ondernemingsplan van verzoeker door de gemeente in 2011 en de stelling dat hier discriminatie aan ten grondslag lag; en
  3. Het verzoek om schadevergoeding.

Standpunt van de gemeente

Op 13 maart 2017 heeft de gemeente laten weten dat zij de klachten van verzoeker niet inhoudelijk gaat behandelen.  De gemeente stelt zich kort gezegd op het standpunt dat de situatie rondom de woning aan het adres xxxx langer dan één jaar geleden plaats heeft gevonden.  Indien en voor zover hetgeen verzoeker daaromtrent naar voren heeft gebracht al aangemerkt zou moeten worden als een klachtwaardige gedraging jegens de gemeente zelf, dan heeft deze gedraging langer dan één jaar geleden plaatsgevonden. Gelet op artikel 9:8, eerste lid onder b Awb hoeft de gemeente de klacht niet te behandelen. Evenzo geldt dit voor de klacht die ziet op de afwijzing van het ondernemingsplan in 2011. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding, heeft de gemeente meegedeeld dat dit verzoek niet ziet op een gedraging  en dit verzoek bovendien op 22 december 2015 al is afgewezen. Tot slot heeft de gemeente  naar voren gebracht dat haar brief van 28 januari 2016 een brief is waarbij nog lopende vragen beantwoord zijn, om zo tot een afsluitend geheel te komen. Deze brief is geen klachtbehandeling geweest.

De overwegingen van de Ombudscommissie

Wijze van beoordeling

De Ombudscommissie onderzoekt of de gemeente op een behoorlijke manier is omgegaan met verzoeker. De Ombudscommissie toetst aan de behoorlijkheidsnormen uit de Behoorlijkheidswijzer van de Nationale Ombudsman. De Behoorlijkheidswijzer is te vinden op www.nationaleombudsman.nl/behoorlijkheidswijzer.nl.

Beoordeling

Ten aanzien van klachtonderdeel 1:

De Ombudscommissie stelt vast dat de rechtbank het onderhavige huurcontract ten aanzien van de woning aan het adres xxxx te Eindhoven op 10 juni 2015 heeft ontbonden en dat er op of omstreeks 14 juli 2015 een ontruiming heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de Ombudscommissie hebben deze gedragingen zich langer dan 1 jaar voor het indienen van de klacht op 25 januari 2017 voorgedaan. De Ombudscommissie is van oordeel dat de gemeente de klacht, die via de Ombudscommissie op 2 maart 2017 is doorgezonden aan de gemeente, terecht niet in behandeling hoefde te nemen. Nog afgezien van de vraag of hetgeen naar voren is gebracht door verzoeker wel klachtwaardige gedragingen zijn die ook nog eens zien op handelen van de gemeente,  was de gemeente reeds vanwege het verstrijken van de termijn uit artikel 9:8 eerste lid onder b Awb niet gehouden de klacht te behandelen.

Ten aanzien van klachtonderdeel 2:

De Ombudscommissie stelt vast dat de procedure ten aanzien van het ondernemingsplan in 2011 plaatsvond. Nog afgezien van de vraag of hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht wel klachtwaardige elementen zijn, hebben deze zich langer dan 1 jaar voor het indienen van de klacht op 25 januari 2017 voorgedaan. De Ombudscommissie is van oordeel dat de gemeente de klacht, die via de Ombudscommissie op 2 maart 2017 is doorgezonden aan de gemeente, terecht niet in behandeling heeft genomen. De Ombudscommissie merkt daarbij op dat indien tegen het afwijzende besluit  een bezwaar-of beroepsprocedure open stond, die weg gevolgd had moeten en het klachtrecht niet de aangewezen weg is (zie artikel 9:8 eerste lid onder c en d Awb).

Ten aanzien van klachtonderdeel 3:

De Ombudscommissie stelt vast dat zij gelet op artikel 9:22 Awb niet bevoegd is om dat klachtelement te beoordelen.

Conclusie

De Ombudscommissie komt tot de slotsom dat de gemeente  ten aanzien van punt 1 en punt 2 terecht tot de conclusie is gekomen dat zij deze klachten niet in behandeling hoefde te nemen.  Het verzoek aan de Ombudscommissie ten aanzien van punt 1 en punt 2 is dan ook ongegrond. Ten aanzien van punt 3 is de Ombudscommissie niet bevoegd kennis te nemen.

Ten overvloede merkt de Ombudscommissie op dat het dossier door de vele communicatie een lijvig dossier is geworden. Los van de voorgenoemde klachtonderdelen is er ook veelvuldig contact geweest tussen verzoeker en de gemeente over diverse andere onderwerpen. Verzoeker heeft in zijn communicatie aan de gemeente veelvuldig gesteld dat hij door de gemeente in haar uitingen gediscrimineerd zou zijn ten aanzien van zijn afkomst en seksuele geaardheid. De Ombudscommissie vindt dit een ernstige aantijging en wenst daarom op te merken dat uit alle overgelegde dossierstukken en hetgeen op de hoorzitting besproken is op geen enkele wijze is gebleken dat er aanwijzingen zijn dat er sprake is geweest van discriminatoire uitlatingen door de gemeente.