Rapport 22 november 2014: klacht behandeling aanvraag WWB-uitkering

Verzoeker heeft de Ombudscommissie gevraagd zijn klacht te onderzoeken over de manier waarop gemeente zijn aanvraag voor een WWB-uitkering behandeld heeft. De Ombudscommissie onderzocht ook de klachten van verzoeker over de gang van zaken bij de interne klachtbehandeling door de gemeente.

Het verzoek

Verzoeker heeft de Ombudscommissie  gevraagd zijn klachten te onderzoeken over de wijze waarop de gemeente Eindhoven (hierna: de gemeente) zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) behandeld heeft. Volgens verzoeker heeft de medewerker die zijn aanvraag in behandeling nam zich discriminerend en intimiderend tegenover verzoeker gedragen en is de aanvraag ten onrechte afgewezen. Verzoeker is verder niet tevreden met de wijze waarop de gemeente de klacht die hij daarover indiende behandeld heeft.  

Bevoegdheid, kenbaarheid en behandelingsplicht

De te onderzoeken klachten betreffen gedragingen van medewerkers van de gemeente Eindhoven (hierna te noemen: gemeente). De Ombudscommissie is ingesteld als externe klachtinstantie voor  gedragingen van de gemeente Eindhoven.

Een interne klachtbehandeling door de gemeente over de wijze waarop de aanvraag voor de uitkering werd behandeld, is aan het verzoek voorafgegaan. Daarmee is voldaan aan het zogenaamde kenbaarheidsvereiste van artikel 9:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).Voor wat betreft de klacht over de klachtbehandeling door de gemeente, gaf de gemeente desgevraagd aan in te stemmen met behandeling daarvan door de Ombudscommissie, zonder dit eerst zelf te behandelen. Op grond van artikel 9:20 tweede lid Awb hoeft een klacht over de wijze van klachtbehandeling niet eerst bij het betrokken bestuursorgaan te worden ingediend

Voor wat betreft het afwijzen van de WWB uitkering kan beroep worden ingesteld, zodat de Ombudscommissie niet bevoegd is het onderdeel van de klacht te behandelen dat is gericht op het afwijzen van de uitkeringsaanvraag. Artikel 9:22 sub c van de Awb zegt dat er geen bevoegdheid is een onderzoek in te stellen als het verzoek betrekking heeft op een gedraging waartegen beroep kan worden ingesteld.

De procedure

Verzoeker heeft eerst zijn klacht bij de gemeente ingediend. De gemeente verklaarde de klacht voor een deel gegrond. Verzoeker had volgens de gemeente een ontvangstbevestiging moeten ontvangen op zijn brief van 24 februari 2014. De overige onderdelen van de klacht achtte de gemeente ongegrond. 
Daarna heeft verzoeker de Ombudscommissie verzocht de klacht verder te onderzoeken.

De gemeente heeft haar standpunt in een verweerschrift aan de Ombudscommissie duidelijk gemaakt. Beide partijen hebben afzonderlijk van elkaar in een hoorzitting een toelichting gegeven aan   de Ombudscommissie en vragen beantwoord.

De Ombudscommissie heeft haar bevindingen opgesteld en partijen in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Bij mailbericht van 24 oktober 2014 heeft de gemeente hierop gereageerd en bij mailbericht van 28 oktober 2014 heeft verzoeker hierop gereageerd. De reacties van partijen zijn aan dit rapport gehecht.
 

Bevindingen van de Ombudscommissie

Op 4 januari 2014 vraagt verzoeker een uitkering aan op grond van de Wet Werk en Bijstand. Verzoeker geeft daarbij aan dat de aanleiding voor de aanvraag is gelegen in de problemen die hij heeft ervaren tijdens een gedwongen verhuizing eind 2013 nadat verzoeker weggepest is uit zijn woning. Volgens verzoeker heeft de woonsituatie zoveel stress opgeleverd dat hij zijn werk als freelancer niet meer kan uitvoeren en nauwelijks inkomen meer heeft. 

Op 14 januari 2014  bespreekt verzoeker dit verzoek bij de gemeente. In de rapportage van de gemeente van 20 maart 2014 staat dat verzoeker in dat gesprek is meegedeeld dat zijn vermogen te hoog is om voor een uitkering in aanmerking te komen.

Op 23 januari 2014 vindt op verzoek van verzoeker een tweede gesprek plaats omdat verzoeker toch een aanvraag wil indienen. 
Op 7 februari 2014 vindt een intakegesprek plaats met de medewerker die uiteindelijk de aanvraag in behandeling neemt. In de rapportage van de gemeente staat dat deze medewerker verzoeker verteld heeft dat de aanvraag waarschijnlijk afgewezen zou worden omdat volgens de medewerker sprake was van een gezamenlijke huishouding en te hoog vermogen. Verzoeker dient vervolgens op 7 februari 2014 een aanvraag in.

Bij brief van 21 maart 2014 wijst de gemeente deze aanvraag af. Als reden noemt de gemeente dat verzoeker een gezamenlijke huishouding voert en dat het inkomen van degene met wie verzoeker een huishouding voert voldoende is om in het levensonderhoud te voorzien.

De klacht bij de gemeente

Verzoeker dient op 27 maart 2014 bij de gemeente klachten in tegen de medewerker die de aanvraag behandeld heeft.

Verzoeker is van mening  niet met respect te zijn  behandeld tijdens het gesprek op 7 februari 2014. Verzoeker voelde zich geïntimideerd en gediscrimineerd in dit gesprek. Verder geeft  verzoeker aan dat de medewerker een vertrouwelijke sfeer creëerde, waardoor hij haar in alle openheid en vertrouwen veel vertelde en dat zij dit  later tegen hem gebruikte. De medewerker heeft verder gezegd dat verzoeker zijn auto moest verkopen en zijn lijfrentepolis moest afkopen opdat verzoeker meer kans zou maken op een uitkering. Bovendien is verzoeker  uitgemaakt voor leugenaar. Verzoeker heeft zijn auto met verlies moeten verkopen. Tijdens de hoorzitting bij de gemeente voegt verzoeker daar nog aan toe dat hij geen reactie heeft ontvangen op zijn brief van 24 februari 2014.

Verzoeker is van mening dat de gemeente haar verantwoordelijkheid had moeten nemen na de gedwongen verhuizing.

De reactie van de gemeente op de klacht

De gemeente verklaart de klacht van verzoeker op 29 april 2014 deels gegrond. Verzoeker had volgens de gemeente een ontvangstbevestiging moeten ontvangen op zijn brief van 24 februari 2014.

De andere klachten verklaart de gemeente ongegrond. De gemeente is van mening dat niet vast is komen staan dat de medewerker verzoeker niet met respect heeft behandeld en misbruik gemaakt zou hebben van de door verzoeker gegeven informatie. Ook oordeelt de gemeente dat het niet aannemelijk is dat de medewerker verzoeker zou hebben misleid door hem te verplichten zijn auto te verkopen omdat voor het vaststellen van het vermogen alleen de afkoopwaarde van belang is en aan verzoeker verteld is dat het niet uitmaakt of de auto nog in bezit is of dat die verkocht is. 

Aanleiding voor het verzoek aan de Ombudscommissie

Verzoeker laat de Ombudscommissie in zijn brieven van 5 en 16 mei 2014 en in een mailbericht van 12 juni 2014 weten het niet eens te zijn met het oordeel van de gemeente op de klacht. Verzoeker vraagt de Ombudscommissie  zijn klachten te onderzoeken over:
1. de wijze waarop de medewerker zijn aanvraag voor een WWB uitkering behandelde;

2. de wijze van behandeling van de daarover ingediende klacht;

3. de afwijzing van zijn uitkeringsaanvraag;
Verzoeker zegt in zijn brieven en tijdens de hoorzitting over deze klachten:

1. De wijze waarop de medewerker zijn aanvraag voor een WWB uitkering behandelde
De medewerker die zijn aanvraag behandelde heeft haar frustratie over haar werkdruk op verzoeker afgereageerd en hem niet met respect behandeld. Het intake gesprek was niet prettig, er zat tijdsdruk op volgens verzoeker. Hij heeft ervaren dat de medewerker hem in het begin van het gesprek vertrouwen gaf, ze leefde met hem mee. Daarna kreeg verzoeker de indruk dat zij die informatie tegen hem ging gebruiken. 

Verder voelt verzoeker zich misleid omdat de medewerker suggereerde dat als hij zijn auto zou verkopen, hij wel in aanmerking zou komen voor een uitkering, maar  vervolgens werd de aanvraag op andere gronden afgewezen.

De medewerker verweet verzoeker  niet de waarheid te spreken. Verzoeker kreeg het gevoel dat hij van haar afhankelijk was. Verzoeker werd tijdens het gesprek heel boos en de medewerker zou niet geweten hebben wat ze moest doen. Verzoeker heeft zich wel ingehouden. De medewerker zou op een gegeven moment geprobeerd hebben degene voor wie verzoeker zorgt erbij te betrekken. Daarop werd verzoeker nog bozer, het ging immers om hem zelf. 

Discriminerend vindt verzoeker de opmerking van de medewerker “Jullie komen toch allemaal hier voor een uitkering”. Verzoeker zegt dat hij om die reden een klacht heeft ingediend.

Verzoeker voelt zich door die opmerking gediscrimineerd omdat hij denkt dat zij daarmee buitenlanders bedoelde. Verzoeker heeft op dat moment daar niet op gereageerd om de behandeling van zijn aanvraag niet te belasten. Hij voelt zich ook gediscrimineerd omdat de medewerker maar door bleef vragen.
Toen de medewerker in het gesprek zei dat verzoeker samenwoonde heeft hij dat als intimiderend ervaren. Op de vraag van de commissie tijdens de hoorzitting waaruit dat intimideren bestond, geeft verzoeker aan dat hij het geen prettig gesprek vond.

Voor verzoeker was de stap om een uitkering aan te vragen al vernederend. Tijdens het gesprek was er geen respect voor de situatie waarin verzoeker gevangen zat. Op internet had hij aangegeven waarom hij de uitkering had aangevraagd.

Verzoeker zou graag op zichzelf willen wonen. Hij weet niet waar hij heen moet, hij heeft geen inkomen dus kan hij geen huis huren en kan ook niet op straat gaan wonen. Verzoeker heeft het gevoel hierdoor in deze situatie gevangen te zitten.

Tijdens de hoorzitting is ook de huisgenoot van verzoeker aanwezig, aan wie hij mantelzorg verleent. Deze voegt toe dat het hele gebeuren op het samenwonen hangt. Het begrip mantelzorg zou door de gemeente worden uitgelegd zoals het nooit bedoeld is. Hij heeft een ernstige vorm van PTSS en heeft mantelzorg nodig.

2. De wijze van behandeling van de klacht bij de gemeente
Volgens verzoeker wekte de medewerker die zijn aanvraag behandelde tijdens de hoorzitting bij de gemeente de indruk dat zijn situatie haar niets kon schelen. Verzoeker heeft het gevoel dat zij hem intimideerde door een bepaalde gezichtsuitdrukking en door te lachen. Hij heeft dat toen niet ter sprake gebracht omdat hij tijdens die hoorzitting het idee had dat hij gelijk zou krijgen. De klachtbehandelaar van de gemeente toonde namelijk veel respect voor de inzet van verzoeker als mantelzorger.
  
De klachtbehandelaar zou volgens verzoeker niet inhoudelijk op de punten van de klacht ingegaan zijn.

3. De afwijzing van de uitkeringsaanvraag 
Tijdens de hoorzitting brengt verzoeker naar voren dat hij enige dagen daarvoor de beslissing op het bezwaarschrift tegen de afwijzing van de aanvraag heeft ontvangen. Tegen deze beslissing kan verzoeker beroep instellen. Zoals hierboven al werd aangegeven is de Ombudscommissie op dit onderdeel om die reden niet bevoegd een onderzoek te doen, zodat op dit punt in deze bevindingen niet verder wordt ingegaan.

Het standpunt van de gemeente

De gemeente geeft onderstaand standpunt weer in het verweerschrift van 8 juli 2014 en op de hoorzitting. 
1. Wijze van behandeling van de aanvraag
Tijdens de hoorzitting licht de medewerker van de gemeente die de aanvraag behandelde toe hoe zij het intake gesprek heeft ervaren. Verzoeker  begon met uit te leggen wat  aan de uitkeringsaanvraag vooraf is gegaan en daartoe heeft zij hem de gelegenheid gegeven. Vervolgens zoomde zij in op de criteria waar zij op moest toetsen en heeft vragen gesteld. Als het gaat om de vraag of er sprake is van samenwoning moeten er soms wat confronterende vragen worden gesteld. Zij heeft verzoeker ook uitgelegd waarom ze die vragen stelde en waarom het vermogen vastgesteld moest worden. Later heeft de medewerker gemerkt dat haar uitleg over het vermogen bij verzoeker tot een andere interpretatie heeft geleid. 

Op het einde van het gesprek heeft de medewerker verteld dat het niet waarschijnlijk is dat verzoeker voor een uitkering in aanmerking zou komen. De medewerker heeft  niet gezegd dat verzoeker  zijn auto moest verkopen, maar dat de waarde daarvan als vermogen meegenomen zou worden.

De medewerker heeft aan verzoeker verteld dat ze zich kon voorstellen dat het voor verzoeker confronterende vragen waren. De medewerker vindt dat het gesprek met verzoeker wel een ander gesprek was dan de meeste intake gesprekken, zij wijt dit aan hetgeen verzoeker heeft meegemaakt.

De medewerker geeft desgevraagd tijdens de hoorzitting aan dat zij zich niet kan voorstellen dat zij iets heeft gezegd als “jullie komen hier allemaal voor een uitkering”.
Voor wat betreft het aspect samenwonen heeft de medewerker aan verzoeker uitgelegd dat het al dan niet bestaan van een liefdesrelatie niet van belang is, maar alleen of er sprake is van wederzijdse zorg, al dan niet financieel.

De medewerker heeft geen reactie gegeven op de vraag van verzoeker in zijn brief van 24 februari 2014 naar een BBL-traject omdat dergelijke vragen op een andere plek binnen de gemeente worden bekeken. Mensen krijgen bij een aanvraag een gesprek waarin de eerste inschatting wordt gemaakt. Vervolgens wordt dan een intake gesprek gepland en de medewerker die dat gesprek voert heeft de opdracht alleen de rechtmatigheid te bekijken. Dit legt de medewerker wel altijd uit aan de cliënt, maar dat is bij verzoeker misschien niet overgekomen. Voor verzoeker kwam er geen verwijzing naar een BBL-traject omdat die verwijzing alleen volgt als iemand een uitkering wordt toegekend. Als iemand geen uitkering krijgt is dat traject er niet.

De commissie legt tijdens de hoorzitting aan de gemeente voor dat een burger het gemeentelijk handelen als één geheel beschouwt. Aan de aanvraag van verzoeker ging een geschiedenis vooraf. De commissie vraagt de medewerker of zij de keuze heeft gehad om het breder te bekijken of een langer gesprek te voeren. De medewerker antwoordt dat de procedure en de inhoudelijke behandeling van deze aanvraag besproken is met de kwaliteitscoach. Daarbij komt aan de orde of alles wel is afgewogen.

De medewerker heeft evenmin een ontvangstbevestiging op de brief van 24 februari 2014 gestuurd omdat het niet versturen daarvan  de standaard procedure is bij brieven die casemanagers krijgen. Dit vanwege het feit dat het meestal gaat om brieven waarbij ontbrekende stukken voor de uitkeringsaanvraag worden toegezonden. Tijdens de hoorzitting geeft de medewerker aan dat in dit geval beter wel contact met verzoeker opgenomen had kunnen worden. 

2. Wijze van behandeling van de klacht

De klachtbehandelaar licht tijdens de hoorzitting toe dat zij de klacht van verzoeker heeft ingestoken als een formele hoorzitting. Daarbij heeft zij de procedure uitgelegd en verzoeker uitgenodigd om zijn verhaal te doen. Ook de medewerker die de aanvraag behandelde kreeg de gelegenheid om haar verhaal te doen. Daarna heeft de klachtbehandelaar gevraagd of er nog iets was toe te voegen en was zij benieuwd hoe verzoeker het gesprek had beleefd. Hij gaf volgens de klachtbehandelaar toen aan dat hij het gesprek als prettig had ervaren, en dat hij ook  de medewerker die de aanvraag behandelde rustiger en vriendelijker vond.

De overwegingen van de Ombudscommissie

Wijze van beoordeling

De Ombudscommissie onderzoekt of de gemeente op een behoorlijke manier is omgegaan met verzoeker. Het verzoek wordt getoetst aan de behoorlijkheidsnormen uit de Behoorlijkheidswijzer van de Nationale Ombudsman. In dit onderzoek heeft  de Ombudscommissie getoetst aan het vereiste van het respecteren van grondrechten, te weten het discriminatieverbod en het vereiste van fatsoenlijke bejegening.


Fatsoenlijke bejegening

De behoorlijkheidsnorm van fatsoenlijke bejegening houdt in dat de overheid de burger respecteert, hem fatsoenlijk behandelt en hulpvaardig is. 
Medewerkers van overheidsinstanties zijn attent in de contacten met burgers en helpen hen zo goed mogelijk. Zij doen dit op respectvolle wijze en houden daarbij rekening met de persoon van de burger.  

In het onderstaande geeft de Ombudscommissie aan of de gemeente bij het behandelen van de aanvraag en bij het behandelen van de klacht jegens verzoeker in strijd heeft gehandeld met deze behoorlijkheidsnorm. 

1. Tijdens het intakegesprek, 7 februari 2014
Verzoeker antwoordde tijdens de hoorzitting van de Ombudscommissie op de vraag waaruit het intimiderend gedrag bestond dat hij het geen prettig gesprek vond. De Ombudscommissie kan zich voorstellen dat een gesprek waarin confronterende vragen worden gesteld en waarin wordt geconcludeerd dat er geen recht bestaat op een uitkering niet prettig is. De  constatering dat een gesprek niet prettig was is niet voldoende om te kunnen onderbouwen dat er sprake is geweest van intimiderend gedrag.
De Ombudscommissie constateert dat de medewerker het verwijt van verzoeker dat zij hem heeft misleid door te zeggen dat hij zijn auto moest verkopen weerlegt. Zij zou hem slechts hebben verteld dat de waarde van de auto als vermogen meegenomen zou worden.    

In de rapportage van de gemeente van 20 maart 2014 leest de Ombudscommissie dat verzoeker tijdens het gesprek is meegedeeld dat de aanvraag waarschijnlijk afgewezen zou worden omdat er sprake was van een gezamenlijke huishouding en een te hoog vermogen.

De Ombudscommissie acht het niet waarschijnlijk dat een medewerker zou adviseren een auto te verkopen als duidelijk is dat de aanvraag om een andere reden (namelijk een gezamenlijke huishouding) zou worden afgewezen. Het is mogelijk dat verzoeker de opmerkingen van de medewerker over de auto en de bijtelling van het vermogen anders heeft begrepen. De Ombudscommissie is van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn om te veronderstellen dat de medewerker verzoeker op dit punt heeft misleid.


Concluderend is de Ombudscommissie van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de medewerker hem niet met respect behandeld heeft tijdens het intakegesprek.

Er is dan ook  geen sprake van strijd met de behoorlijkheidsnorm van fatsoenlijke bejegening.

De Ombudscommissie is van oordeel dat de klacht op dit punt ongegrond is.

2. Tijdens de klachtbehandeling bij de gemeente

Op 16 april 2014 vond een hoorzitting plaats bij de gemeente naar aanleiding van de klacht van verzoeker over de medewerker die zijn aanvraag behandelde.

Volgens verzoeker wekte deze medewerker tijdens de hoorzitting bij de gemeente de indruk dat zijn situatie haar niets kon schelen. Verzoeker heeft het gevoel dat zij hem intimideerde door een bepaalde gezichtsuitdrukking en door te lachen. Hij heeft dat toen niet ter sprake gebracht omdat hij tijdens die hoorzitting het idee had dat hij gelijk zou krijgen. De klachtbehandelaar van de gemeente toonde namelijk veel respect voor de inzet van verzoeker als mantelzorger.
De klachtbehandelaar zou volgens verzoeker niet inhoudelijk op de punten van de klacht ingegaan zijn.

Verzoeker heeft bij de klachtbehandelaar  aangegeven dat hij de medewerker tijdens de hoorzitting rustiger en vriendelijker vond. Het komt de Ombudscommissie niet aannemelijk voor dat verzoeker die uitspraak zou hebben gedaan als de medewerker op dat moment een intimiderende gezichtsuitdrukking zou hebben gehad. De Ombudscommissie is dan ook van oordeel dat verzoeker niet  aannemelijk heeft gemaakt dat de medewerker tijdens de klachtbehandeling onvoldoende respect heeft getoond en daardoor in strijd zou hebben gehandeld met de behoorlijkheidsnorm van fatsoenlijke bejegening.

De Ombudscommissie is van mening dat het uitgebreide verslag van de hoorzitting van 16 april 2014 en de gedetailleerde beoordeling van 29 april 2014 het verwijt van verzoeker dat de klachtbehandelaar niet inhoudelijk op de punten van de klacht is ingegaan voldoende weerleggen.

De Ombudscommissie is dan ook van oordeel dat de klacht over medewerker en de klachtbehandelaar tijdens de klachtbehandeling bij de gemeente ongegrond is. 

Respecteren van grondrechten

De behoorlijkheidsnorm van het respecteren van grondrechten houdt in dat de overheid de grondrechten van burgers respecteert bij de uitvoering van haar taken. In het onderstaande geeft de Ombudscommissie aan of de gemeente bij het behandelen van de aanvraag jegens verzoeker in strijd heeft gehandeld met het discriminatieverbod en of daardoor sprake is van schending van deze behoorlijkheidsnorm.

Verzoeker geeft aan dat hij zich tijdens het intake gesprek op 7 februari 2014 gediscrimineerd voelde. Tijdens de hoorzitting maakte verzoeker dit concreet. De medewerker heeft volgens verzoeker in dit gesprek opgemerkt: “Jullie komen toch allemaal hier voor een uitkering”. 
Verzoeker voelt zich door die opmerking gediscrimineerd omdat hij denkt dat de medewerker met het woord “jullie” op buitenlanders doelde en verzoeker van buitenlandse afkomst is. Verzoeker heeft op dat moment daar niet op gereageerd om de behandeling van zijn aanvraag niet te belasten.

De medewerker die het intakegesprek met verzoeker voerde gaf tijdens de hoorzitting aan dat zij zich niet kan voorstellen dat zij iets heeft gezegd als “jullie komen hier allemaal voor een uitkering”. 

De Ombudscommissie stelt vast dat de verklaringen van verzoeker en de medewerker op dit punt lijnrecht tegenover elkaar staan. Er waren geen andere deelnemers bij het intakegesprek aanwezig. 
Het betreft hier een ernstige aantijging. Waar twee verklaringen elkaar tegenspreken kan niet vastgesteld worden wat er is gebeurd.  

Om die reden is de Ombudscommissie van mening dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat in strijd is gehandeld met het discriminatieverbod. De Ombudscommissie is dan ook van oordeel dat de klacht over medewerker op dit onderdeel ongegrond is. 

Conclusie

De ombudscommissie verklaart de klacht over de onderzochte gedragingen van de gemeente Eindhoven ongegrond.

Overweging

De Ombudscommissie wijst de gemeente er op dat het proces rond de intake een aantal vragen oproept. 
De behoorlijkheidsnorm van maatwerk houdt in dat de overheid bereid moet zijn in voorkomende gevallen af te wijken van algemeen beleid of voorschriften als dat nodig is om onbedoelde of ongewenste consequenties te voorkomen. Ook in haar feitelijk handelen zoekt de overheid steeds naar maatregelen en oplossingen die passen bij de specifieke omstandigheden van de individuele burger.

Aan de aanvraag van verzoeker ging een geschiedenis vooraf. De commissie vraagt zich af of een medewerker de keuze heeft om een dergelijke situatie breder te bekijken en zo nodig een langer gesprek te voeren.

In het geval van verzoeker vraagt de Ombudscommissie zich af of de geschiedenis die vooraf ging aan de aanvraag niet een bredere aanpak vereiste in plaats van de gebruikelijke intake waarin alleen de rechtmatigheidsbeoordeling als voorwaarde voor het toekennen van een uitkering aan de orde komt. In een “standaard” intakegesprek kan er niet veel aandacht zijn voor  de voorgeschiedenis en de gevoelens en emoties die daarmee gepaard gaan. De tijdsdruk die op het proces zit kan de emotie versterken. De Ombudscommissie heeft de indruk dat  de gevoelens van onvrede bij verzoeker hierdoor mede veroorzaakt zijn.  

Tenslotte vraagt de Ombudscommissie aandacht voor het volgende. Een burger beschouwt het gemeentelijk handelen als één geheel. Het feit dat op de brief van verzoeker van 24 februari 2014 geen antwoord is gegeven door de gemeente is blijkens hetgeen tijdens de hoorzitting werd uitgelegd een gevolg van het verdelen van taken. Degene die de intake verzorgde heeft tot taak de rechtmatigheidstoets te doen en kwam daarom niet toe aan de vraag die in deze brief gesteld werd naar mogelijkheden om te werken. Deze brief is in het geheel onbeantwoord gebleven. De klacht daarover is door de gemeente zelf gegrond verklaard, zonder dat daar iets mee gedaan is naar verzoeker toe. Het had op de weg van de gemeente gelegen om verzoeker alsnog te informeren dat door gewijzigd beleid BBL-trajecten alleen nog worden aangeboden aan hen die ook in aanmerking komen voor een uitkering.