Kenbaarheid, bevoegdheid en behandelingsplicht
Kenbaarheid
Voordat een klacht bij de Ombudscommissie wordt ingediend, moet de verzoeker de klacht eerst indienen bij de gemeente Eindhoven. Dat volgt uit artikel 9:20 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit wordt het “kenbaarheidsvereiste” genoemd. Hieraan heeft verzoeker voldaan door op 2 en 3 oktober 2025 een tweetal klachten bij verweerder in te dienen. Verweerder heeft het onderzoek naar deze klachten op 8 januari 2026 afgesloten per brief. De klachten zijn ongegrond verklaard.
Bevoegdheid
De Ombudscommissie is bevoegd om de behandeling van de klacht van te onderzoeken.
Klachtenbehandeling in eerste aanleg (klachtenbehandelaar van de gemeente Eindhoven)
De klacht:
Op 2 en 3 oktober 2025 heeft de heer … een tweetal klachten ingediend over gedragingen van Buitengewoon Opsporingsambtenaren (Boa’s), werkzaam bij de afdeling Handhaving van de gemeente Eindhoven op 1 en 27 oktober 2025. (Hij vult deze klachten van 2 en 3 oktober 2025 aan tijdens het horen op 28 oktober 2025)
Op 1 oktober 2025 betreft het in de ochtend de vordering van zijn ID, het niet eerst gebruik mogen maken van zijn spreekrecht voordat hij zijn ID overhandigt, het uitschrijven van nepboetes en een andere fietser laten passeren. In de middag betreft het opnieuw de vordering van zijn ID en de uitoefening van geweldsbevoegdheden. Op 27 oktober 2025 spreekt hij over laster en betwist hij de rechtmatigheid van een fouillering.
Er heeft een schriftelijke ronde van hoor en wederhoor plaatsgevonden.
Bij brief van 8 januari 2026 werden de klachten door de gemeente Eindhoven ongegrond verklaard.
De gemeente Eindhoven motiveert haar besluit als volgt:
Op 2 en 3 oktober 2025 heeft de gemeente Eindhoven twee klachten van u ontvangen. Uw klachten gaan over gedragingen van Buitengewoon Opsporingsambtenaren (boa’s) werkzaam bij de afdeling Handhaving.
Uw klacht is in behandeling genomen door mevrouw ….: klachtenbehandelaar. Zij heeft u en de betrokken boa's gehoord. De hoorverslagen zijn in uw bezit. U heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren.
Mevrouw …. heeft daarna de 3 getuigen benaderd van wie u de telefoonnummers aan haar had doorgegeven. Eén van hen gaf aan van niks te weten, de ander kon om bepaalde redenen pas praten over een half jaar en de laatste was telefonisch niet te bereiken.
Omdat uw klachten gaan over de rechtmatigheid en behoorlijkheid van de uitoefening van boa-bevoegdheden, heeft mevrouw … op grond van artikel 42 Besluit BOA advies gevraagd aan de toezichthouder (Officier van Justitie). Tevens heeft ze de klacht conform dit artikel onder de aandacht gebracht van de direct toezichthouder (korpschef Politie).
Ter oordeelsvorming heeft ze hen alle relevante stukken gestuurd, te weten:
1 de op 2 en 3 oktober 2025 ontvangen klachten
2: verslag van de hoorzitting van 28 oktober 2025
3: 2 van u ontvangen filmpjes van 27 oktober 2025
4: uw mail van 28 oktober 2025 met aanvulling klacht inzake fouilleren en laster
5: hoorverslag 1 KL-25-0453-001 - incident van 1 oktober 2025
6. hoorverslag 2 KL-25-0453-001 - incident van 27 oktober 2025
7: uw reactie op hoorverslagen 1 en 2
8: telefoonnotitie getuigen
Na onderlinge afstemming tussen de toezichthouder en direct toezichthouder heeft mevrouw … hun advies ontvangen. U treft dit aan als bijlage bij deze brief.
Oordeel
Wij vinden uw klacht ongegrond. Hieronder leggen wij uit hoe we tot dit oordeel komen.
Bevindingen
- Bevoegdheden
Uw klachten gaan over de uitoefening van bevoegdheden op 1 en 27 oktober 2025. Op 1 oktober 2025 betreft het in de ochtend de vordering van uw ID, het niet eerst gebruik mogen maken van uw spreekrecht voordat u uw ID overhandigt, uitschrijven van nepboetes, een andere fietser laten passeren. In de middag betreft het opnieuw de vordering van uw ID en de uitoefening van geweldsbevoegdheden.
Op 27 oktober 2025 spreekt u over laster en betwist u de rechtmatigheid van een fouillering
Volgens het advies van de toezichthouder (Openbaar Ministerie) en de direct toezichthouder (Korpschef) hebben de boa’s hun bevoegdheden rechtmatig en behoorlijk uitgeoefend. We nemen dit advies over en vinden dit deel van uw klacht ongegrond.
- Voorval McDonald’s
Op 27 oktober vond een voorval plaats bij McDonald’s waar u bij betrokken was. Nadat dit al was opgelost, zorgden de boa’s er volgens u alsnog voor dat u een maand lang niet meer bij McDonald’s mocht komen. De betrokken boa’s hebben aangegeven dat hen op geen enkele wijze was gebleken dat de zaak tussen u en de manager al was afgedaan. Dit blijkt ook uit het feit dat de manager u een toegangsverbod gaf van een jaar (en niet van een maand, zoals u aangaf). Dit was een beslissing van de manager van McDonald’s en niet van de boa’s. Zij hebben de uitreiking van het toegangsverbod met hun aanwezigheid slechts ondersteund. Wij vinden dit deel van uw klacht ongegrond.
Advies toezichthouders:
Naar aanleiding van een bij de Gemeente Eindhoven ontvangen klacht van Dhr. …, verder te noemen klager, over het optreden van buitengewoon opsporingsambtenaren van de Gemeente Eindhoven, op 1 oktober 2025 en 27 oktober 2025, welke u naar mij heeft doorgezonden op 15 december 2025, hierbij mijn bevindingen. Deze reactie is tevens afgestemd met de Toezichthouder.
Op grond van artikel 42 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar is de werkgever verplicht een afschrift van een klacht over het optreden van een buitengewoon opsporingsambtenaar betreffende de uitoefening van diens bevoegdheden als buitengewoon opsporingsambtenaar aan de toezichthouder en de direct toezichthouder te zenden. Aan deze verplichting heeft u voldaan.
Aan mij is op grond van voornoemd artikel, de taak opgedragen om een oordeel te geven over deze klacht betreffende de rechtmatigheid en behoorlijkheid van de uitoefening van de bevoegdheden door de buitengewoon opsporingsambtenaren (boa).
Om een goed oordeel te geven over het optreden van de boa heb ik informatie opgevraagd bij u als werkgever.
Mijn taak is het beoordelen van de rechtmatigheid en behoorlijkheid van de uitoefening van de bevoegdheden door de boa's.
Uit mijn onderzoek is gebleken dat de betreffende boa's op 1 en 27 oktober 2025 als opsporingsambtenaar bezig waren met opgedragen werkzaamheden.
Door boa's van de gemeente Eindhoven werd klager aangesproken omdat hij fietste in een gebied waar dit niet was toegestaan. Klager wilde zijn identiteitsbewijs pas afgeven nadat hij gebruik had mogen maken van zijn recht om te spreken. Klager kreeg van de boa's een boete maar is het daar niet mee eens omdat er tijdens het gesprek iemand voorbijfietste die niet werd aangehouden. Opmerking Direct Toezichthouder: als men bezig is met een bekeuringssituatie dan kan deze niet zomaar afgebroken worden waardoor het mogelijk is dat anderen in een gelijksoortige situatie op dat moment niet aangesproken kunnen worden. In deze situatie hebben de boa's professioneel en zorgvuldig gehandeld.
Klager geeft aan dat hij in de middag wederom werd aangesproken door dezelfde handhaver (boa).
Klager wilde in deze situatie niet meewerken omdat hij klaar was met het gedrag van de handhaver. Klager gaat in deze voorbij aan het feit dat hij wederom een strafbaar feit pleegde waar hij over aangesproken werd. Door zijn eigen gedrag is de situatie geëscaleerd en wel op een dusdanige wijze dat twee politieambtenaren in vrije tijd zich genoodzaakt zagen om de boa's van de gemeente Eindhoven te ondersteunen. Door de politieagenten is geweld toegepast dat werd gemeld bij een hulpofficier van justitie. Door de hulpofficier van justitie werd het gebruikte geweld als subsidiair en proportioneel beoordeeld.
Opmerking Direct Toezichthouder: Uit de mij beschikbare gegevens is gebleken dat de boa's correct en volgens de bevoegdheden hebben gehandeld.
Hoorzitting gemeente 28 oktober 2025
Klager geeft aan dat hij ervan werd beschuldigd dat er een wapen in zijn huis werd gevonden en hij noemt dit laster. Opmerking Direct Toezichthouder: uit gegevens in de politiesystemen blijkt dat er een zoeking in de woning van klager is geweest omdat er signalen waren binnengekomen dat hij in het bezit zou zijn van een vuurwapen. Bij de doorzoeking van zijn woning werd een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen.
Gelet op voorgaande was een veiligheidsfouillering proportioneel voor de veiligheid van de boa's en omstanders.
Opmerking Direct Toezichthouder: Uit de mij beschikbare gegevens is gebleken dat de boa's correct en volgens de bevoegdheden hebben gehandeld.
Samengevat:
De betrokken buitengewoon opsporingsambtenaren hebben in overeenstemming met de voorgeschreven procedures en wettelijke voorschriften correct en professioneel gehandeld. Ze waren als opsporingsambtenaar bezig met een opgedragen taak. Het ging hier over een inzet, waarvoor ze volgens domein lijst 1 van de Regeling Domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd zijn en daardoor bevoegd zijn om op te treden als boa.
Ondertekening Direct Toezichthouder
De Korpschef van Politie
Op 5 februari 2026 dient verzoeker een verzoek in bij de Ombudscommissie.
Hij is van mening dat de gemeente Eindhoven niet juist heeft geoordeeld over zijn klacht.
Bij schrijven van 31 maart 2026 werden partijen uitgenodigd om op 13 mei 2026 op een hoorzitting te verschijnen.
Om een veilige en vertrouwelijke omgeving te waarborgen, waarin zowel verzoeker als verweerder zich vrij voelen hun verklaring volledig af te leggen, is gekozen voor gescheiden horen.
Standpunt van verzoeker
Verzoeker geeft schriftelijk het volgende aan.
Verzoeker is van mening dat hij slecht behandeld werd door politie en handhaving. Hij ervaart politie, handhaving en medewerkers van de gemeente Eindhoven als corrupt. De politie heeft niets gedaan met zijn aangifte over onveilige situaties bij de politie. Op het politiebureau in Eindhoven werd hij vaak voor schut gezet.
Met handhavers van de gemeente Eindhoven heeft hij ruzie gehad en ze hebben hem geslagen. Pas op het moment dat hij niet meer kon ademen en bewusteloos raakte, heeft men hem losgelaten. Verzoeker is van mening dat dit handelen indruist tegen de Grondwet. De camerabeelden van deze mishandeling heeft hij opgevraagd maar men heeft aangegeven deze niet met hem te willen delen. Deze beelden zullen echter na een bepaalde tijd worden gewist. Verzoeker wil dat er uitgebreider onderzoek naar deze zaak wordt gedaan. Hij wil serieus genomen worden nu hij belangrijke informatie over de veiligheid in Nederland heeft.
Tegen de hem bij strafbeschikking opgelegde boete heeft hij een bezwaarschrift ingediend.
Verzoeker heeft ook filmfragmenten toegestuurd.
De hoorzitting van verzoeker
Tijdens de hoorzitting wordt verzoeker vergezeld door zijn partner, mw ….
Verzoeker geeft aan dat hij op een zeker moment een bezoek aan het politiebureau heeft gebracht om belangrijke informatie over een dreigende onveilige situatie tijdens een voetbalwedstrijd in Amsterdam te delen. Verzoeker kreeg toen het gevoel niet serieus te worden genomen en te worden weggestuurd. Hij heeft daarop aan het hoofd van politie aangegeven dat deze hiermee de kans liep zijn baan te verliezen. Verzoeker is ervan overtuigd dat het hoofd van politie sindsdien iets persoonlijks tegen hem heeft. Hij heeft het gevoel dat de politie jaloers en boos op hem is omdat het zijn missie is Nederland veiliger en vrij van corruptie te maken.
De dag erna heeft verzoeker een foto van zichzelf met een speelgoedwapen op sociale media geplaatst, puur om zichzelf op een legale manier te kunnen beschermen, aldus verzoeker.
De politie heeft hierop een huiszoeking gedaan, verzoeker aangehouden en hem meegenomen naar het bureau. Er werd hem ook een boete opgelegd. Verzoeker heeft geweigerd deze boete te betalen. Deze boete werd later door de rechter omgezet naar een taakstraf onder het aanbieden van excuses voor het optreden van de politie, aldus verzoeker. Verzoeker was er echter niet van op de hoogte dat hij vervolgens als vuurwapengevaarlijk werd geregistreerd. Hij ervaart dit als karaktermoord door handhaving. Hij was immers niet schuldig, aldus verzoeker. Er zou “speelgoedwapen” geregistreerd moeten worden in plaats van “vuurwapen”. Verzoeker stelt te willen weten wie deze registratie heeft verricht. Hij wenst dat de registratie verwijderd wordt.
Met betrekking tot de gebeurtenissen op 1 oktober 2025 geeft verzoeker aan dat hij op dat moment niet fietste en toch werd aangehouden terwijl andere (Nederlandse) fietsers niet werden aangehouden. Hij zag dat de handhaver met hem wilde gaan vechten en heeft toen 112 gebeld. Ondanks dat hij bellende was, werd hij toch tegen de grond gewerkt. Verzoeker stelt dat hij de opname van zijn telefoontje naar 112 wil horen. Ook is hij van mening dat de bewuste handhavers gedurende de klachtafhandeling op non-actief moeten worden gezet.
Verzoeker zegt dat de handhaver bij de eerste aanhouding op 1 oktober “ik ga je iets laten zien dat je nog nooit hebt gezien” heeft gezegd. Bij de tweede aanhouding die dag heeft hij gevolg gegeven aan dit dreigement, aldus verzoeker.
Verzoeker geeft aan dat er tijdens de tweede aanhouding op 1 oktober 2025 zeven handhavers op zijn borst zaten. Hij zegt ervan overtuigd te zijn dat ze hem toen wilden vermoorden en dit op een ongeluk wilden laten lijken. Gelukkig greep iemand uit het publiek in nadat hij aangaf geen lucht te krijgen; hij dacht dat hij doodging.
Verzoeker laat zien hoe zijn tas kapot werd gesneden door handhaving. Verzoeker zegt dat hij zich niet heeft verweerd of verdedigd; hij gunde de handhavers niet dat hij dan schuldig /zou zijn.
Aan verzoeker wordt voorgelegd dat zijn 112-oproep van 16.55 uur is terwijl door handhaving het tijdstip van 16.50 uur werd geregistreerd als moment van aanhouding. Verzoeker reageert dat dit opnieuw duidelijk maakt hoe handhaving zaken wil verduisteren.
Verzoeker vertelt desgevraagd dat hij op 27 oktober 2025 in de McDonald’s zat om iets te eten te bestellen. Een bediende sommeerde hem te vertrekken maar hij reageerde dat hij alle recht had daar te zitten en iets te bestellen. Verzoeker heeft toen aangegeven de manager te willen spreken. De bediende heeft vervolgens excuses gemaakt. Ook de medewerkers van Sfeerbeheer gaven hem gelijk; zij waren aardig en niet agressief. Maar vervolgens kwamen de handhavers de McDonald’s binnen, dit terwijl het probleem al opgelost was. Ze doorzochten zijn tas en zeiden toen dat hij geregistreerd stond als vuurwapengevaarlijk. Verzoeker zegt het heel vreemd te vinden dat ze op 1 oktober niets gezegd hebben over een dergelijke registratie en nu, tijdens de gebeurtenis op de 27e oktober, ineens wel. Hij is ervan overtuigd dat de politie hiertoe opdracht heeft gegeven en dat er daarom ook geen deugdelijk onderzoek naar de gang van zaken wordt ingesteld. Daarom vindt hij het belangrijk dat er onderzoek door de Ombudscommissie en het Ministerie van Justitie wordt gedaan.
Verzoeker wil weten waar de camerabeelden zijn van de voorvallen op 1 oktober en 27 oktober. Op basis van die beelden zou het voor iedereen duidelijk zijn dat hij onschuldig is. Ook de bodycambeelden wil hij inzien. Men heeft hem echter gezegd dat deze iedere maand worden gewist. Verzoeker is van mening dat men de beelden bewust niet vrijgeeft omdat deze duidelijk zouden maken hoe agressief men is opgetreden. De door hemzelf overgelegde filmfragmenten laten dit overigens ook zien, aldus verzoeker.
Verzoeker vertelt nog bijna iedere nacht wakker te worden door herbelevingen en het gevoel geen adem te kunnen halen. Dit wordt beaamd door zijn partner, ….
Verzoeker stelt een schadevergoeding van 25.000 euro te willen ontvangen voor de door hem geleden schade. Ook wil hij een formeel besluit waarin wordt gesteld dat handhaving zonder wettelijke grondslag is opgetreden en waarin hem excuses hiervoor worden aangeboden. Mocht aan deze verzoeken niet worden voldaan, dan overweegt hij zijn ervaringen met handhaving en de politie te delen met heel Nederland en met deze achterban te besluiten niet langer belasting te betalen.
De hoorzitting van verweerder
Namens verweerder zijn de vijf betrokken handhavers, hun teamleider, het interim afdelingshoofd en de klachtenbehandelaar op de hoorzitting verschenen.
Handhaver x vertelt desgevraagd dat hij op 1 oktober 2025 tijdens het surveilleren in de binnenstad een aantal personen zag fietsen op het voetgangerspad, waaronder verzoeker. Hij zag dat verzoeker rechtsomkeer probeerde te maken en is daarop achter hem aangelopen. Hij heeft verzoeker aangesproken op zijn overtreding. Verzoeker reageerde dat hij niet aan het fietsen was omdat zijn voeten de trappers niet raakten en dat hij een beroep wilde doen op zijn spreekrecht. Daarop heeft handhaver x zijn ID gevraagd en vervolgens gevorderd. Verzoeker maakte toen de beweging om weg te lopen waarna handhaver x hem bij zijn (rug)tas heeft gepakt om hem staande te houden. Handhaver x heeft vervolgens om assistentie gevraagd bij zijn collega's. Verzoeker begon daarop te schreeuwen en riep naar omstanders over de manier van bejegenen door handhaving. Aan verzoeker werden een aantal bekeuringen uitgeschreven.
Diezelfde middag rond 16.50 uur werd verzoeker wederom fietsend in de binnenstad gezien. Hij werd vervolgens opnieuw door handhaving aangesproken op dit feit. Verzoeker reageerde dat hij niet ging meewerken omdat hij immers eerder op de dag al een bekeuring voor dit feit had ontvangen. Hij riep opnieuw naar omstanders dat hij slecht werd behandeld. Daarop ontstond een toeloop van winkelend publiek. Handhaving heeft daarop assistentie van collega's ingeroepen. Er werd besloten om verzoeker op basis van zijn gedrag en het niet willen tonen van zijn ID aan te houden. Hierop verzette verzoeker zich hevig waarna drie agenten in burger zijn bijgesprongen. Toen deze drie agenten op zijn rug zaten, heeft men hem geboeid. Verzoeker gaf aan dat hij geen lucht meer kreeg. Een handhaver heeft daarop de tas van verzoeker, waarin hij zich vastdraaide, losgesneden. Verzoeker is medisch gecheckt door politie en er is ook een ambulance opgeroepen om hem te checken. Daarna is verzoeker meegegaan naar het bureau.
Namens handhaving wordt toegevoegd dat men tijdens de aanhouding voortdurend heeft benadrukt rustig aan te doen maar dat verzoeker steeds de instructies niet opvolgde. De ademhaling van verzoeker werd gedurende de aanhouding drie tot vier keer gecheckt. Tijdens de medische check-up door de politie reageerde verzoeker op prikkels. Men heeft er alles aan gedaan om de uiteindelijke afloop te voorkomen en zorggedragen voor zijn veiligheid, aldus handhaving.
Handhaving geeft desgevraagd aan dat verzoeker het fysiek contact bij de aanhouding niet schuwde. Hij rukte zich los en maakte aanstalten om te slaan. Ook stelde hij dat “als hij niet buiten adem was geweest, ze van hem verloren zouden hebben".
Met betrekking tot het voorval op 27 oktober 2025 deelt handhaving het volgende mee: handhaving heeft verzoeker toen bewust mee naar buiten genomen, uit de drukte van de McDonald’s. Er was daarmee ook zicht vanuit de stadscamera’s. Omdat de manager van McDonald’s een toegangsverbod wilde uitvaardigen, werd om het ID van verzoeker gevraagd. Dit werd ook direct door verzoeker overhandigd. Bij het checken van zijn ID in het systeem, bleek er sprake te zijn van een zogenaamde aandachtvestiging: een automatische pop-up in het systeem zodra een persoon wordt nagetrokken. Hieruit bleek dat er bij verzoeker een vuurwapen in beslag was genomen. In verband met de aandachtvestiging werd een veiligheidsfouillering uitgevoerd. Verzoeker werkte hieraan mee.
Desgevraagd wordt door de teamleider aangegeven dat er geen gesprek met verzoeker heeft plaatsgevonden over de voorvallen.
De teamleider voegt daaraan toe dat het feit dat verzoeker intimiderend gedrag vertoont en contact heeft gelegd met de politie en de klachtenbehandelaar, hier ook van invloed op is geweest: verzoeker gaf aan aangifte te zullen doen en daarmee start dan een strafrechtelijk proces. Dan is het niet meer aan handhaving om met hem in gesprek te gaan, ook gezien de wederzijdse rechten in het kader van het strafrecht.
De teamleider brengt in dat zij zich kan voorstellen dat de inmenging van de politie in burger tijdens de aanhouding effect op verzoeker heeft gehad. De drie agenten in burger die op hem zaten, waren voor hem niet zichtbaar. Ondertussen stond er een kordon aan geüniformeerde handhavers om hem heen. Dit zal indrukwekkend zijn overgekomen.
Met betrekking tot de beelden van de stadscamera geeft verweerder desgevraagd aan dat deze op basis van de Wet Politiegegevens (Wpg) niet mogen worden vrijgegeven in het kader van een klachtenprocedure.
Hetzelfde geldt voor de beelden die gemaakt werden met de bodycam: op grond van de Wpg, het criterium “goed werkgeverschap” en de AVG is er geen grondslag op basis waarvan deze beelden in een klachtenprocedure kunnen worden vrijgegeven.
Verzoeker kan, op basis van diezelfde Wpg, een verzoek indienen bij de Korpschef om de registratie te laten wissen.
Met betrekking tot de 112-melding geeft verweerder aan dat niet duidelijk is of verzoeker ook daadwerkelijk contact met de meldkamer heeft gemaakt. Er is in ieder geval geen actie uit die melding voortgekomen.
Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te doen toekomen naar aanleiding van het (concept) verslag van bevindingen. Voor zover noodzakelijk en/of relevant zijn deze meegenomen in dit definitieve verslag van bevindingen.
Wijze van beoordeling
De Ombudscommissie beoordeelt of (een of meer medewerkers van) het bestuursorgaan zich in de door haar onderzochte aangelegenheid al dan niet behoorlijk heeft/hebben gedragen. De Ombudscommissie toetst het handelen van de gemeente Eindhoven aan de hand van de behoorlijkheidswijzer.
Overwegingen
Toetsingskader – beperking bevoegdheid
De Ombudscommissie is gebonden aan haar bevoegdheid op grond van de Awb en het daarin vastgelegde toetsingskader (behoorlijkheidsnormen).
De Ombudscommissie doet niet aan feitenonderzoek. Ten aanzien van klachtelementen waarbij alleen kan worden uitgegaan van het woord van verzoeker tegen dat van verweerder, moet de Ombudscommissie zich onthouden van een oordeel.
Met betrekking tot haarbevoegdheid in deze klachtprocedure merkt de Ombudscommissie eerst het volgende op
Er moet verschil gemaakt worden tussen het optreden van de politie en dat van de boa's.
De Ombudscommissie is niet bevoegd te oordelen over politieoptreden. Dit volgt uit artikel 9:22 Awb. De politie valt onder de centrale verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid.
De Ombudscommissie laat zich dan ook niet uit over een klacht voor zover deze gericht is tegen (het optreden van) de politie. De boa's zijn in dienst van de gemeente Eindhoven, hetgeen betekent dat de Ombudscommissie wel bevoegd is te oordelen over hun optreden.
Het vaststellen van civielrechtelijke aansprakelijkheid en het toekennen van schadevergoeding vallen ook buiten de wettelijke taak en bevoegdheid van de Ombudscommissie. Daarvoor dient verzoeker zich rechtstreeks tot de gemeente te wenden.
Voor wat betreft de situatie in de McDonald's vestiging op 27 oktober 2025 is de Ombudscommissie niet bevoegd zich uit te laten over gedragingen van de medewerkers van McDonald's en/of de keuze van McDonald's om verzoeker de toegang te ontzeggen. (De vestiging van) McDonald's is geen bestuursorgaan zoals bedoeld in artikel 9:18 Awb.
Klachten verzoeker
Verzoeker is van mening dat de handhavers (hierna te noemen: boa's) onrechtmatig en onbehoorlijk hebben gehandeld.
De bevoegdheden van een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) zijn vastgelegd in de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar, het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar en relevante wet- en regelgeving zoals de Politiewet 2012 en het Wetboek van Strafvordering. Op basis van deze regelgeving is een boa onder meer bevoegd tot het aanhouden en staande houden van burgers, het vragen en vorderen van een ID-bewijs en het uitschrijven van boetes.
Op basis van deze regelgeving waren de boa's op 1 oktober 2025 bevoegd om verzoeker aan te houden en staande te houden, zijn ID-bewijs te vragen en – bij het vaststellen van overtredingen - boetes uit te schrijven.
Verzoeker voert aan dat hij slecht werd behandeld door de boa's. Daarover verschillen de visies van verzoeker en de boa's. De situatie en de visie van de boa's zijn door verweerder ter beoordeling voorgelegd aan de toezichthouder die het optreden van de boa's heeft beoordeeld als correct en professioneel. Verzoeker heeft zijn visie niet kunnen ondersteunen aan de hand van de door hem genoemde getuigen of het door hem ingebrachte beeldmateriaal en blijft erbij dat hij slecht is behandeld door de boa's. Ten aanzien van de feitelijke gang van zaken rond de aanhoudingen is het het woord van verzoeker tegen dat van de boa's. De Ombudscommissie onthoudt zich van een oordeel.
Het is duidelijk dat het hele voorval en de gang van zaken behoorlijke impact heeft gehad (en nog) op zowel verzoeker als de bewuste boa's.
Verzoeker voert ook aan dat hij de boa's en de medewerkers van de gemeente Eindhoven als corrupt ervaart. Hij heeft deze beweringen niet verder ondersteund of toegelicht aan de hand van bewijsstukken. De Ombudscommissie onthoudt zich van een oordeel hierover.
Verzoeker voert vervolgens aan dat de beelden van de stadscamera's en de bodycams de mishandeling zouden aantonen. Hij wenst daarom inzage en vraagt de Ombudscommissie om de beelden te bekijken.
De Ombudscommissie onderzoekt en beoordeelt de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde gelegenheid heeft gedragen. De Ombudscommissie onderzoekt en/of beoordeelt nadrukkelijk niet de inhoud van een door een bestuursorgaan genomen besluit.
Betrokkenen (personen van wie persoonsgegevens worden verwerkt, zoals in dit geval verzoeker) hebben onder de AVG en Wpg onder meer het recht om geïnformeerd te worden (art. 12, 13 en 14 AVG en art. 24a,b Wpg), het recht van inzage (art. 15 AVG en art. 25 Wpg), recht van bezwaar tegen verwerking (art. 21 AVG) en het recht om een klacht in te dienen bij de AP (art. 77 AVG en art. 31a Wpg). Een en ander is (onder meer) ook vermeld in het Strategisch privacybeleid en Privacy AVG van de gemeente Eindhoven.
Verzoeker heeft op 3 oktober 2025 zijn klacht ingediend bij de gemeente. Hierin benoemt verzoeker dat de camerabeelden onderzocht kunnen worden. Op 12 december 2025 geeft verzoeker aan dat hij de beelden van de bodycam wenst in te zien.
Verzoeker stelt dat ‘men’ heeft aangegeven de beelden niet hem te willen delen en dat ‘men’ heeft gezegd dat deze beelden (beelden van een bodycam) iedere maand worden gewist.
Verweerder heeft aangegeven dat er zowel beelden zijn van de stadscamera als beelden die gemaakt zijn met de bodycam. Verweerder stelt dat de beelden van de stadscamera niet mogen worden vrijgegeven in het kader van een klachtprocedure op basis van de Wet Politiegegevens (Wpg). De beelden die gemaakt zijn met de bodycam mogen ook niet worden vrijgegeven op basis van de Wpg, het criterium “goed werkgeverschap” en de AVG.
In de beslissing van 8 januari 2026 op de klacht van verzoeker in eerste lijn wordt niet ingegaan op of melding gemaakt van het verzoek om inzage in de beelden van de stadscamera en de bodycam. Ook uit de overige stukken in het dossier wordt niet duidelijk of en zo ja, wanneer of op welke wijze door wie op het verzoek van verzoeker om inzage in de betreffende persoonsgegevens is gereageerd.
Overeenkomstig het bepaalde in art 12 AVG dient de gemeente schriftelijk of per e-mail op een verzoek tot inzage van persoonsgegevens te reageren.
Een schriftelijke beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 (recht van inzage van de betrokkenen) AVG Verordening wordt genomen binnen de in artikel 12, derde lid, van de verordening genoemde termijnen en geldt, voor zover deze is genomen door, zoals in dit geval, een bestuursorgaan, als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen een dergelijk besluit staat de mogelijkheid van bezwaar open.
Uit het dossier blijkt dat verweerder aangeeft dat de beelden niet worden vrijgegeven. Uit het dossier blijkt niet dat hier een schriftelijk besluit aan ten grondslag ligt. Als dat niet het geval is, is sprake van een fictieve weigering en staat voor verzoeker de weg van bezwaar open (artikel 6:2 Awb). Als er wel een beslissing aan ten grondslag ligt, is het onzorgvuldig van verweerder om deze niet kenbaar te maken aan verzoeker en deze niet te overleggen in het kader van de klachtprocedure. Daarmee had meteen een einde kunnen worden gemaakt aan de onduidelijkheid.
Voor verzoeker staat in deze situatie overigens ook de weg van een klachtprocedure bij de Autoriteit Persoonsgegevens nog open.
Nu er in het eindoordeel op de eerstelijns klacht niets gezegd wordt over de camerabeelden en het verzoek tot inzage, is dit oordeel onvolledig. Ook het verslag van de Toezichthouder rept niet over de camerabeelden. Het had op de weg van de organisatie gelegen de beelden na ontvangst van de klacht te borgen tot de klachtprocedure was afgehandeld. Tevens had het op de weg van de klachtbehandelaar gelegen dit klachtelement te zien als een AVG en/of Wpg verzoek en dit verzoek door te geleiden naar de verantwoordelijke functionaris binnen de organisatie. Op basis van deze gang van zaken heeft de gemeente de volgende behoorlijkheidsnormen geschonden: respectvol, mensenrechten respecteren, eerlijke proceskansen en voortvarendheid. Deze normen zouden geborgd moeten zijn in de interne instructie.
Verzoeker verzoekt om uitgebreid onderzoek door het Openbaar Ministerie en de Ombudscommissie. Voorzover dit verzoek aan de Ombudscommissie is gericht, verwijst de Ombudscommissie verzoeker naar de openstaande mogelijkheden om tegen de afwijzing door de gemeente van zijn verzoek om inzage bezwaar aan te tekenen of een klacht in te dienen.
Verzoeker verzoekt om verwijdering van zijn registratie als zijnde "vuurwapengevaarlijk".
De Ombudscommissie is hiertoe niet wettelijk bevoegd. Verzoeker kan hiervoor een verzoek indienen bij de Korpschef van de politie.
Na ontvangst van het (concept) Verslag van Bevindingen zijn partijen in de gelegenheid gesteld om kennelijke onjuistheden of omissies aan te voeren. Omdat het onderzoek naar de klacht formeel is gesloten na de hoorzitting, kunnen partijen echter geen nieuwe feiten meer aanvoeren.
Verzoeker heeft de Ombudscommissie een aantal e-mailberichten doen toekomen. Deze berichten vormden inhoudelijk een herhaling van hetgeen verzoeker in zijn verzoekschrift en op de hoorzitting heeft aangevoerd en waren voor de Ombudscommissie dan ook geen aanleiding tot aanpassing van het (concept) Verslag van Bevindingen.
Het oordeel van de Ombudscommissie
- Ten aanzien van de klacht van verzoeker met betrekking tot het onbevoegd en onrechtmatig handelen door de boa's op 1 en 27 oktober 2025: de Ombudscommissie verklaart dit klachtonderdeel ongegrond;
- Ten aanzien van de klacht van verzoeker met betrekking tot het toepassen van de bevoegdheden door de boa's: de Ombudscommissie onthoudt zich van een oordeel;
- Ten aanzien van de klacht van verzoeker voor zover gericht op corruptie door boa's en medewerkers van de gemeente Eindhoven: de Ombudscommissie verklaart dit klachtelement ongegrond;
- Ten aanzien van de klacht van verzoeker voor zover gericht op de handelswijze van medewerkers van de McDonald’s op 27 oktober 2025: de Ombudscommissie verklaart dit klachtelement niet ontvankelijk;
- Ten aanzien van de klacht van verzoeker met betrekking tot het vrijgeven van de camerabeelden en de bodycambeelden: de Ombudscommissie verklaart dit klachtelement voor zover gericht op schending van behoorlijkheidsnormen gegrond;
- Ten aanzien van de klacht van verzoeker voor zover gericht op het instellen van een nader onderzoek door de Ombudscommissie: de Ombudscommissie ziet geen aanleiding tot het instellen van nader onderzoek;
- Ten aanzien van de klacht van verzoeker voor zover gericht op het verwijderen van de registratie "vuurwapengevaarlijk": de Ombudscommissie verklaart dit klachtelement niet ontvankelijk.
Het oordeel op zijn klacht is misschien niet wat verzoeker ervan verwachtte maar ook de Ombudscommissie is gebonden aan haar bevoegdheid en de toetsing aan behoorlijkheidsnormen.
Aanbevelingen
- De Ombudscommissie beveelt aan dat camerabeelden direct na ontvangst van een klacht door de organisatie worden geborgd totdat de klachtprocedure is afgerond.
- De Ombudscommissie beveelt aan om een verzoek om inzage in camerabeelden onverwijld door de klachtenbehandelaar binnen de organisatie te laten doorleiden ter schriftelijke besluitvorming en vervolgens aan verzoeker daarvan schriftelijk/per e-mail kennis te geven.
Eindhoven, 24 juli 2026
De Ombudscommissie Eindhoven